Opinie

Schaalvergroting mag de onderwijskwaliteit niet in de weg zitten

Commentaar

Commentaar

Maar liefst dertien rapporten zijn er verschenen over het zogenoemde examendrama in Maastricht. Daar bleken afgelopen zomer meer dan 350 examens ongeldig te zijn, waardoor honderden leerlingen niet konden slagen voor de middelbare school. Uit die omvangrijke papierwinkel blijkt, zoals wel vaker, dat er geen eenduidig antwoord is op de vraag hoe het zover heeft kunnen komen. Overal zijn fouten gemaakt: bij Limburgs Voortgezet Onderwijs (LVO), de koepel waar de gewraakte school in Maastricht onder valt, maar ook bij de overheid en de onderwijsinspectie.

Zomaar een veelzeggend detail: het bestuur van LVO had er geen benul van dat zeven schoolafdelingen die onder de koepel vallen het predicaat ‘zeer zwak’ verdienen, en nog eens zes ‘onvoldoende’. Als je niet weet dat het niveau ondermaats is, kun je er ook niets aan doen. Dit wijst erop dat de door politici zo geroemde ‘menselijke maat’ hier uit het oog verloren is. Onder LVO vallen dertigduizend leerlingen, verdeeld over 24 afzonderlijke middelbare scholen met in totaal tachtig afdelingen en 21 extra onderdelen, zoals tweetalig onderwijs of een ‘econasium’.

Onderwijsbestuurders spreken graag over de voordelen van schaalvergroting, zoals de mogelijkheid voor scholen om gezamenlijk in te kopen. Dat moge zo zijn, maar het zou overtuigender zijn wanneer de onderwijskwaliteit erbij gebaat zou zijn. Bij een grotere schaal groeit de afstand tussen het bestuur en de klas. Zoals de Gentse hoogleraar onderwijskunde Geert Devos in NRC zei: „Bestuurders zijn zich dan niet meer bewust van wat daar gebeurt, maar alleen met financiële belangen en strategische kwesties bezig.”

De overheid gaat niet vrijuit. Scholen worden overladen met extra taken, zoals meer beweging tijdens de gymles of meer lessen mediawijsheid. Die doelen zijn niet verkeerd, maar scholen hebben onvoldoende tijd of geld om ze uit te voeren. Bovendien mogen ze niet ten koste gaan van basisvaardigheden als taal en rekenen, zoals de commissie-Dijsselbloem een decennium geleden al bepleitte toen ze de onderwijsvernieuwingen onderzocht.

Een andere tekortkoming van bovenaf is dat scholen om leerlingen moeten concurreren en afgerekend worden op slagingspercentages. Hierdoor is het schoolexamen verworden tot voorbereiding op het centrale eindexamen in plaats van een zelfstandig toetsmoment. Dit komt de kwaliteit niet ten goede.

Schrijnend is ook dat de onderwijsinspectie in Maastricht keurig volgens het boekje gehandeld heeft, maar desondanks de gebreken niet opmerkte. In de toezichtsregels staat immers niets over controle op inhoud en uitvoering van schoolexamens. Hier doemt het beeld op van een inspectie die vooral de papieren werkelijkheid toetst, zonder de uitkomsten daarvan mee te wegen.

In zekere zin kan de inspectie niet verweten worden dat ze zich aan de regels houdt. Daarom zullen die regels tegen het licht gehouden moeten worden: stuur vaker inspecteurs langs op scholen waar het slecht gaat en geef hun instrumenten om het tij te keren.

Ook de inspectie is uitgezoomd: sinds kort gaan inspecteurs minder vaak langs op individuele scholen, maar controleren ze vooral of schoolbesturen de kwaliteit van het onderwijs voldoende waarborgen. Ook deze werkwijze bevordert zonder twijfel de efficiëntie. Maar in Maastricht is de onderwijskwaliteit door het bestuur, de overheid en de inspectie in de steek gelaten.

In het commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.