Plan: meer wilde dieren, insecten en aaneengesloten natuur in 2030

Het is voor het eerst dat landbouwvertegenwoordigers, banken, het bedrijfsleven en milieuorganisaties zich samen aan een dergelijk plan committeren.

Een vos in de Amsterdamse Waterleidingduinen.
Een vos in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Foto iStock

Een aantal landbouwvertegenwoordigers, kennisinstituten, brancheorganisaties en milieuorganisaties heeft woensdag een gezamenlijk plan gepresenteerd om natuurherstel in Nederland te bevorderen. De aanpak, die tot 2030 loopt, moet zorgen voor meer aaneengesloten natuurgebieden en biodiversiteit.

Tot de initiatiefnemers behoren onder meer Milieudefensie, LTO Nederland, LandschappenNL, Natuurmonumenten, Unilever, de Rabobank en Stichting Natuur en Milieu. Het plan wordt gezien als een eerste stap richting maatregelen voor beter natuurbeheer - het is voor het eerst dat deze partijen zich committeren aan zo’n plan.

Het plan is opgesteld om de sterfte van insecten tegen te gaan, net als de daling van het aantal weidevogels en de verschraling van de bodem in Nederland. Dit is onder meer het gevolg van de toegenomen intensiteit van de landbouw in ons land.

Beloning voor welwillende boeren

De ondertekenaars stellen vast dat er in 2030 meer nuttige insecten en een vruchtbare bodem moeten komen, net als goede leefomstandigheden voor wilde dieren en planten. Dit kan worden bereikt door natuurgebieden aan elkaar te verbinden met behulp van dijken, bermen, bedrijventerreinen en andere vormen van openbaar groen.

In het plan wordt de ambitie uitgesproken om beter natuurbeheer te stimuleren in het bedrijfsleven en bij maatschappelijke organisaties. Genoemde oplossingen zijn bijvoorbeeld beloningen voor boeren die zich inzetten voor behoud en verbetering van biodiversiteit. De partijen willen dat die beloning komt van onder meer supermarkten. Ook banken kunnen bijdragen met een rentekorting voor welwillende boeren.

Daarnaast komt er een zogenaamde biodiversiteitsmonitor voor akkerbouw, opgesteld door het Wereld Natuurfonds, Stichting Veldleeuwerik en de Rabobank. Deze reeds ingevoerde biodiversiteitsmonitor in de melkveesector moet daarbij als voorbeeld dienen.