Opinie

    • Maxim Februari

Nog even scharrelen in de rommella van 2018

Maxim Februari

Voor mijn werk moet ik vaak in de tweeëntwintigste eeuw zijn. Privé ben ik dit jaar verhuisd van de negentiende eeuw naar een plaats waar de zestiende eeuw nog in de deurknoppen zit. Tijdens de zomermaanden mijn auto geparkeerd in 2045 na Christus. Dronken geworden in de rococo. Al met al is zo’n jaar een reis door de geschiedenis. Die loopt, zoals Clare Lennart ooit over de Utrechtse Steenstraat schreef, „van C&A tot in de Middeleeuwen”.

En nu is het alweer december. Het jaar overziend moet ik opeens denken aan Jeffrey, die ik in januari ontmoette. In de eerste week van het jaar zei de jonge bouwvakker dat ik hem later die week moest mailen over een raamkozijn. Om zo’n mail een beetje fatsoenlijk te kunnen opstellen vroeg ik hoe hij heette. „Jefrey”, zei hij. „Schrijf je dat met één f of met twee f’en?” Hij begon vrolijk te lachen. „Wat maakt dat nou uit?” Zo maakte Jeffrey subiet mijn maand januari goed.

Het jaar ontkiemt, bloeit op, en door de maanden heen komen allerlei mensen als rozen terecht op je innerlijke composthoop. Soms blijken ze daar behoorlijk vruchtbaar te zijn. Ze fleuren de hele tijdslijn op. De blije zesjarige met zijn zwemdiploma. De engel van de Wegenwacht. En dan ’s middags de stem van Hans Haffmans op Radio 4. O, Hans Haffmans! Hoe die man „Debussyherdenkingsjaar” kan zeggen!

Precies hierom zoek ik de tweeëntwintigste eeuw zo vaak op: het zou mooi zijn als we de boel daar net zo bont en raadselachtig konden houden als het heden. Voordat de toekomst straks helemaal bestaat uit patroonherkenning en classificatiesystemen, kan het geen kwaad er ook wat van de oude onsamenhangendheid over te houden. Al die onbegrijpelijke dingen die het leven uitmaken. Elk jaar is een prullenbak, heb ik ooit ergens gelezen. Elk jaar is een zak confetti.

De mensheid wil opgeruimd de toekomst in, dat begrijp ik best. Dat is waarom ze de rommel zo ijverig te lijf gaat met ordeningsprincipes. Die ordeningsprincipes bieden greep, je kunt er de wemeling van incidenten op verschillende manieren mee samenvegen. En ze geven invloed. Wat de een het Debussyherdenkingsjaar noemt, noemt een ander het jaar van de warmtepomp en China noemt het het Jaar van de Hond. Jefrey, Jeffrey: what’s in a name, zegt Shakespeare. Maar elk van de namen roept andere conclusies in het leven en vraagt om andere reacties.

Nou ben ik gelukkig dol op ordeningsprincipes, en ik bof dat mensen me voortdurend weer nieuwe sturen. Zo’n krant heeft lezers die niets liever doen dan je mails schrijven over duidingsschema’s en ‘concurrerende interpretatierepertoires’. Soms vis ik een van die repertoires uit de post en dan gooi er voor de lol een anekdote in.

In de rommella van 2018 vind ik bijvoorbeeld een incident uit het vroege voorjaar, toen iemand een tas met boodschappen buiten had laten staan. Er kwam een kat aangeslenterd en die begon, staande op zijn achterpoten, met zijn voorpoten kieskeurig door de boodschappen te bladeren. Na enig nadenken haalde hij er een bekertje yoghurt uit, scheurde het aluminium deksel eraf, at het bekertje leeg, waarna hij zijn weg weer vervolgde. Het is een van de herinneringen die het eerst en het levendigst opkomen als ik de afgelopen twaalf maanden overdenk.

Soms ben ik mijn eigen opruimwoede zat en besluit ik dit soort verhalen dan maar gewoon in huis te laten slingeren. Niks interpretatie of classificatie, de wereld is al geordend genoeg. Ik kijk naar buiten, fiets naar de Renaissance, ik lees wat anderen hebben geschreven. In de zomer las ik Marieke Lucas Rijneveld. In de dichtbundel Kalfsvlies schrijft ze over buurvrouwen die met appelboren klokhuizen verzamelen als een leger middelpunten, „kinderen gebruiken de vruchten als verrekijkers”.

In de herfst las ik Ester Naomi Perquin. In de bundel Lange armen schrijft de Dichter des Vaderlands over de rommeligheid waarop politieagenten stuiten zodra ze de straat opgaan. Politiewerk. „Het gaat niet om aantallen van dit of dat”, zegt korpschef Erik Akerboom in het voorwoord bij de bundel. „Niet om systemen of procedures. Het draait om wat in het alledaagse leven, vaak buiten het zicht van de schijnwerpers, gedaan wordt.”

In haar gedicht ‘Debriefing’ laat Perquin politieagenten aan het woord die met gecompliceerde onderkoeldheid over dat alledaagse leven vertellen en beschrijven wat de dag heeft gebracht. „Daarna/ aanrijdinkje met letsel en hormonen in het spel./ Omstanders even regisseren, beide heren meegenomen.

Het is alweer december. Ik debrief mijzelf en stel vast dat het jaar volstroomde met dichters, futuristische visioenen en een jongeman die Jefrey heet. Fragmenten. Snippers. Confetti die ik maar gewoon op mijn nachtkastje laat liggen.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.