Opinie

    • Evelien Campfens

Nederland gaat gewetensvol om met roofkunst

Roofkunst Al had de Restitutiecommissie duidelijker moeten zijn of een Kandinsky wel of geen roofkunst was, schrijft

Bild mit Häusern van Wassily Kandinsky c/o Pictoright, Amsterdam
Bild mit Häusern van Wassily Kandinsky c/o Pictoright, Amsterdam

Op het gebied van restitutie van roofkunst zou Nederland van moreel leider tot paria zijn verworden, aldus Wesley Fisher en Anne Webber in een opiniestuk in Opinie & Debat (Schande dat deze roofkunst in het museum mag blijven hangen, 8/12). Voorzitter van de Restitutiecommissie Alfred Hammerstein wees deze kritiek in een reactie (Bij roofkunst staat belang slachtoffer altijd voorop, 10/12) terecht als suggestief van de hand.

Nederland is geen paria op dit gebied, maar loopt voorop, alleen al omdat er een neutraal forum is waar partijen zich kunnen melden met moeilijke kwesties. En waar een transparante procedure met hoor en wederhoor leidt tot een openbaar en met feiten onderbouwd advies. Daar kunnen we het vervolgens al dan niet mee eens zijn. De meeste Nederlandse musea committeren zich bovendien vrijwillig aan deze procedure. Dat is in veel landen wel anders.

Emotioneel belang

De kritiek van Fisher en Webber richt zich op de belangenafweging die de Restitutiecommissie heeft gemaakt in een claim van de erven van de voormalige Joodse eigenaresse van Bild mit Häusern van Wassily Kandinsky. Die belangenafweging viel eind oktober slecht uit voor de erven. Het werk zou voor hen niet van emotioneel belang zijn. Voor het Stedelijk Museum was het van grotere waarde, en dus werd de claim afgewezen.

Fisher en Webber citeren de voormalig Amerikaanse ambassadeur en jurist Eizenstat die in 1998 onderhandelde over de Washington Principles (waarin internationale normen zijn vastgelegd voor de teruggave van kunstwerken aan de ervan van oorlogsslachtoffers). De belangenafweging is volgens Eizenstat „in strijd met” die Washington Principles.

Maar Eizenstat geeft een te simpele voorstelling van zaken. Natuurlijk zijn de Washington Principles opgesteld om de belangen van de erfgenamen van Holocaust-slachtoffers te verdedigen. Maar dat is iets anders dan de belangen van nieuwe bezitters volledig buiten beeld te laten. In de Washington Principles gaat het om „door de nazi’s geconfisqueerde kunstwerken die na de oorlog niet werden teruggegeven aan hun eigenaren” waarvoor een „billijke en rechtvaardige oplossing” (just and fair solution) moet worden gezocht, al naar gelang de omstandigheden. Dat is een open norm waarover verschillend wordt gedacht. Maar een ding is duidelijk en dat is dat het om roofkunst moet gaan: kunstwerken die zijn geconfisqueerd of onder dwang zijn verkocht.

Verwarring

De vraag is, gaat het daar in het geval van de Kandinsky om? De commissie beantwoordt die vraag niet en dat zorgt voor verwarring. Het gaat of om naziroofkunst, of niet. Zo niet, dan moet de claim worden afgewezen en is belangenafweging niet aan de orde. Zo ja, dan volgt een ‘fair and just solution’.

Het had daarom voor de hand gelegen, voor zover de commissie de verkoop van de Kandinsky inderdaad als dwangverkoop had willen aanmerken (wat ze dus in het midden liet), dat daar een vorm van rechtsherstel aan was gekoppeld. De term ‘fair and just solutions’ biedt op dat moment ruimte voor belangenafweging – maar pas in deze fase en pas na het oordeel dat iets ‘roofkunst’ is.

In de visie van Fisher en Webber zou het in de ‘fair and just’ norm om een absoluut recht gaan dat alle andere belangen opzij zet. Het kunstwerk moet altijd worden teruggegeven aan de eerdere eigenaar (‘rightful owner’). Maar is dat wel terecht? Hebben nieuwe bezitters die te goeder trouw een werk aankochten helemaal geen rechten? Zeker in gevallen waarbij de feiten niet klip en klaar zijn, lijkt dat onredelijk. In de praktijk zie je juist vaak creatieve oplossingen zoals gedeelde verkoopopbrengst, of erkenning door het vertellen van het verhaal van het verlies naast het tentoongestelde werk.

Lees hier over de teruggave van werken van Gustav Klimt

Openbaar kunstbezit

En hoe zit het met het collectieve belang van openbaar kunstbezit? Als iets van nationaal belang is kan dat volgens internationale verdragen reden zijn voor beperking van de rechten van de eigenaar van een kunstwerk. Zou dat hier dan nooit mogen worden meegewogen? Toen werken van Gustav Klimt uit het Belvedère in Wenen na teruggave aan de Amerikaanse erfgename voor onvoorstelbare bedragen werden doorverkocht aan een Chinese privéverzamelaar, deed dat aardig wat wenkbrauwen fronsen.

Openbare uitspraken zoals die van de commissie en een bredere discussie zijn nodig om meer grip te krijgen op wat nu eigenlijk ‘rechtvaardig’ is. Het Europese Parlement houdt zich hier overigens ook mee bezig en stelde onlangs een ontwerpverklaring op voor de ‘cross border restitution claims of works of art and cultural goods looted in armed conflicts and wars’. Daarin wordt voor meer transparantie en een Europese aanpak gepleit. Dat lijkt de goede weg.

Correctie (19/12): Door een fout van de redactie stond eerst niet bij de auteursinformatie dat Evelien Campfens in de periode 2002-2016 secretaris van de Restitutiecommissie was.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Evelien Campfens