‘Het zijn beesten, hoor je vaak. Maar nee, het is menselijk gedrag’

Oorlogsfotograaf Teun Voeten (57) is gepromoveerd op het drugsgeweld in Mexico, dat hij vergelijkt met oorlogsgeweld. „Vierendelen, massaslachtingen, onthoofden, oplossen in zuur, het gaat maar door.”

Oorlogsfotograaf Teun Voeten: „Ik háát wat-ging-er-door-je-heen-vragen. Mijn gevoelens zijn volkomen irrelevant.”
Oorlogsfotograaf Teun Voeten: „Ik háát wat-ging-er-door-je-heen-vragen. Mijn gevoelens zijn volkomen irrelevant. Foto Karoly Effenberger

‘Oorlogsfotografen hebben enorme ego’s. Je moet een opgeblazen gevoel van zelfvertrouwen hebben, geen faalangst kennen en voortdurend denken: dit gaat lukken, ik ben de belangrijkste man, iedereen zit op mij te wachten en gaat goed geld voor mijn werk betalen. Je moet een volkomen onrealistisch zelfbeeld en verwachtingspatroon hebben.”

Teun Voeten (57) gooit het hoofd in de nek en begint te schaterlachen. „Gelukkig ben ik een Brabander en kan ik relativeren.”

Want helaas: de „dikke facturen” die hij vroeger uitschreef voor Newsweek, Vanity Fair of The New York Times zijn verleden tijd. „De bladen hebben geen geld meer, of geven het liever uit aan andere dingen.” Op zijn laatste twee expedities, naar Noord-Korea en Irak, heeft hij dan ook verlies geleden. „Te weinig foto’s verkocht.”

En ‘lukken’ doet het zeker ook niet altijd. In Bosnië werd hij „door een sluipschutter in mijn poot geschoten”. En in Sierra Leone vreesde hij voor zijn leven toen hij drie kwartier door kindsoldaten onder schot werd gehouden. „Nu gaat het gebeuren, nu gaan ze me afmaken”, vreesde hij. „Hoe bang ik ook was, ik heb niet gesmeekt om mijn leven. Juist niet. Je moet je nooit weerloos tonen, zeker niet bij kinderen die stijf staan van de drugs.”

Hij werd gespaard, maar hij moest zich wel twee weken schuilhouden in de bush, waar hij malaria en een posttraumatisch stressstoornis (PTSS) opliep. Vier maanden zat hij thuis, toen ging hij weer terug. „Een hond die is aangereden moet ook weer zo snel mogelijk de straat op”, zegt hij in zijn appartement aan de rand van Antwerpen. De angst van toen voelt hij niet meer. „Die heb ik weggestopt. Zo werkt de menselijke geest: die onthoudt vooral positieve dingen.”

En daar laat hij het liever bij. „Ik háát wat-ging-er-door-je-heen-vragen. Mijn gevoelens zijn volkomen irrelevant. Ik ben als fotograaf doorgeefluik. Ik mag misschien triest worden van wat ik allemaal zie en meemaak, dat is peanuts met al die honderdduizenden slachtoffers die zijn doodgeschoten.”

‘Een complete freakshow’

De dertig jaar waarin hij als oorlogsfotograaf van brandhaard naar brandhaard trok, vat hij samen als „een complete freakshow”. Als net afgestudeerde antropoloog leefde hij vijf maanden tussen ondergronds levende crackjunks in New York, over wie hij zijn eerste boek Tunnelmensen (1996) schreef. Als fotograaf richtte hij zich vervolgens op (vergeten) oorlogen in onder meer Afghanistan, Irak, Soedan, Rwanda en Liberia. Hij werkte daar voor verschillende internationale media.

Voeten wilde weten hoe het voelt om iemand te doden. Als je dat nog nooit hebt gedaan, weet je niet hoe fijn het is, zei er een

Hij dacht eigenlijk dat hij het ergste wel had gezien. Maar dat bleek niet zo, toen hij in Mexico kwam. Wat daar gebeurt, is „pas echt hallucinant”. Het buitensporige geweld waarmee drugskartels elkaar daar te lijf gaan escaleert volledig, zegt hij. „Vorig jaar was het bloedigste jaar, met bijna dertigduizend doden. Sommige mortuaria zitten zo vol dat de vrachtwagens met lijken voor de deur staan en omwonenden klagen over de stank.”

Veel van die wreedheden legde hij al vast in het fotoboek Narco Estado, Drug Violence in Mexico (2006). „Maar als fotograaf krab je alleen wat aan de oppervlakte. Beelden zeggen soms meer dan duizend woorden, maar over een heleboel dingen zeggen ze juist helemaal niets. Ik raakte gefrustreerd dat ik uitsluitend the bang bang and the bloodshed aan het schieten was, en wilde dieper graven.”

Daarom schreef hij een proefschrift waarop hij onlangs aan de Universiteit Leiden promoveerde. In de antropologische studie analyseert hij de Mexicaanse drugskartels „van veraf en dichtbij”. Tijdens zijn veldwerk ging hij mee met politie en leger op patrouille. In onherbergzame gebieden soms lopend, fietsend of zelfs – „als een ultieme cowboy” – te paard, maar meestal zat hij achter in een pick-up-truck.

„We scheurden van het ene incident naar het andere. Terwijl de agenten bij een moordplek foto’s namen en kogelhulzen opraapten, werden we alweer opgeroepen voor de volgende.” Bij tien doden per dag wordt het echt lopendebandwerk, vertelt Voeten.

Foto’s die Voeten in Mexico maakte, in 2009 en 2011, in Culiacan (de foto’s links) en Ciudad Juárez, een van de gevaarlijkste steden ter wereld (rechts), uit zijn boek Het Mexicaanse drugsgeweld.
Foto’s Teun Voeten
? Teun Voeten, June 2009, Culiacan, Sinaloa State, Mexico.

Culiacan is the state captital of Sinaloa, home base of the feared Sinaloa cartel that is involved in a bloody power struggle with the Juarez Cartel about lucrative smuggling routes.

Murder victim with police investigators.

Peasant on donkey passes by.

The victim was most probably involved in narco trafficking.

In the month of June 2009, aproximately 3 people a day were killed in Culiacan.

Foto’s die Voeten in Mexico maakte, in 2009 en 2011, in Culiacan.
Foto’s Teun Voeten

In zijn proefschrift Het Mexicaanse drugsgeweld beschrijft hij minutieus de ‘morfologie van het geweld’. En de karteloorlog in volle breedte. Voeten somt op: „Massaslachtingen, gedwongen gladiatorengevechten waarbij de overlevenden worden gerekruteerd, vierendelen, ophangen, dynamiteren, onthoofden, kruisigen, oplossen in zuur, het gaat maar door.” Al die gruwelijkheden hebben een symbolische functie, zegt Voeten. Zo zeggen de kartels: we are the meanest. „Het is behalve een machtsstrijd ook een vorm van branding.”

Dat leidt tot de écht buitensporige gevallen: een gevild hoofd dat op een voetbal wordt genaaid, gemaskerde mannen die op klaarlichte dag midden in de stad tientallen verminkte lichamen uit grote trucks dumpen of afgehakte hoofden op de dansvloer van een discotheek gooien. „Als je alles al gedaan hebt, ga je steeds gekkere dingen bedenken.”

‘Totale wettelooosheid’

Wat hem vooral schokte was de totale wetteloosheid die het land in haar greep houdt. „Op een snelweg kun je zomaar op een checkpoint stuiten. Kartels kunnen daar met je doen wat ze willen. Dan is het óf bye bye gringo, óf ze laten je met grapje door. Die willekeur was ik wel gewend uit vergeten oorlogen in failed states als Liberia en Sierra Leone, maar die landen zien er ook echt uit als ingestorte staten. Maar Mexico is een volledig modern ontwikkelde natie met goede infrastructuur, industrie, landbouw, olie, onderwijs, architectuur, literatuur, de mooiste musea, alles.”

De kartels zijn de ultieme voorbeelden van roofkapitalisme, schrijft Voeten, en „een logische consequentie van tientallen jaren van Mexicaanse autoritaire politiek die in de tachtiger jaren een neoliberale agenda erdoor drukte, en uiteindelijk een groeiende armoede en economische ongelijkheid heeft veroorzaakt”. En vanwege de succesvolle business modellen („van smokkel en omkoping tot afpersing en kidnapping”) en de diepe verwevenheid met de „door en door corrupte overheid” ziet hij de situatie niet snel veranderen.

Lees ook: Wie in Mexico vermoord wordt, zal wel schuld hebben

Zijn dissertatie lijkt soms een queeste waarin Voeten afdaalt in de donkerste krochten van de menselijke geest. Om de vraag te beantwoorden hoe het geweld zo extreem kan escaleren, keek hij het kwaad in de ogen. Samen met filmmaker Maaike Engels interviewde hij in Mexico zes zogeheten sicario’s, de beulen die de afrekeningen moeten verrichten. Vijf van hen zaten een levenslange gevangenisstraf uit. „Zij hadden weinig meer te verliezen en konden vrijuit praten.”

Voeten wilde weten hoe het voelt om iemand te doden. Als je dat nog nooit hebt gedaan, weet je niet hoe fijn het is, zei er een. „De eerste keer schijnt het een enorm schuldgevoel te veroorzaken. Als daarna de verwachte bestraffing uitblijft, leidt dat tot grote opluchting. En juist dat gevoel kan verslavend zijn.” Eén sicario bezocht daarom nog steeds de Adictos Anonymous.

Sicario’s en kindsoldaten

Wat hem opviel: veel sicario’s zijn heel ontwikkelde mensen die zich heel goed in verschillende milieus kunnen bewegen. Ze zijn langzaam maar zeker het kartel binnen gegleden, waarna het van kwaad tot erger is gegaan. Armoede en sociale uitsluiting zijn daarbij zeker niet, zoals vaak wordt beweerd, voornaamste drijfveren. Emotionele factoren zoals eigenwaarde en respect spelen vaak een grotere rol. „Criminaliteit is nu eenmaal de snelste route om de waarden te bereiken die de samenleving belangrijk vindt: status en rijkdom.”

Maar hoe verklaart hij dan hun gruweldaden? „Ik ga ervan uit dat de mens een natuurlijke weerstand heeft tegen het doden van anderen.” Maar, zegt hij, dat is op verschillende manieren te omzeilen: emotionele, ideologische of ruimtelijke afstand creëren met het slachtoffer; sancties invoeren: wie weigert te executeren, wordt zelf vermoord. Of beloningen uitloven, zoals premies voor huurmoordenaars, en het veranderen van de state of mind door drugs of hersenspoeling.”

Hij zag het bij kindsoldaten die hem onder schot hielden, maar het geldt evengoed voor IS-strijders. „Je hoort vaak: ‘Het zijn beesten.’ Nee, het is menselijk gedrag! Geweld is volledig normaal en cross-cultureel gelden exact dezelfde mechanismen. Bij alle oorlogen die ik fotografeerde, vermoedde ik dat al. Maar nu vond ik het ook terug in wetenschappelijke literatuur.”

Daarom citeert hij ook Vietnam-veteranen die uitleggen wat ze zo mooi vonden aan vechten: het gaf hen een gevoel van macht. „Oorlog heeft een right wing imago, maar zij beleefden het als een utopische ervaring. Er ontstaat een klasseloze maatschappij met een ongekende solidariteit. Je bent er voor elkaar, alleen de groep telt.”

Geldt dat ook voor fotografen? „Dat kan ik niet ontkennen. Voor buitenstaanders lijkt het pathologisch, maar je moet eerlijk zijn: oorlog heeft een grote aantrekkingskracht. Niet alleen soldaten, maar ook journalisten, hulpverleners en diplomaten vinden het spannend. Het biedt mensen de kans om nobel te zijn. Oorlog is de rauwe existentie in zijn brute eerlijkheid, het drama van hoge pieken en diepe dalen.”

Foto’s die Voeten in Mexico maakte, in 2009 en 2011, in Ciudad Juárez, een van de gevaarlijkste steden ter wereld, uit zijn boek Het Mexicaanse drugsgeweld.
Foto’s Teun Voeten

In zijn boek How de body? Hoop en horror in Sierra Leone (2000) vroeg Voeten zich af of hij misschien ‘moreel en intellectueel failliet’ was: „Is mijn ziel zo afgestompt dat ik dit soort avontuurtjes nodig heb?”

Lees ook het opiniestuk van Teun Voeten in NRC: Ja, Nederland is net als Mexico een narcostaat

Hoe is dat achttien jaar later? „In momenten van diepe zelftwijfel denk je: ik ben pervers dat ik dit soort kicks nodig heb. Maar ik voel me er nooit schuldig over. Het moge duidelijk zijn dat je vanuit morele verontwaardiging naar een oorlogsgebied gaat. Ik zie het als idealistische plicht om dingen te laten zien waar mensen geen weet van hebben en de verdrukten, ellendigen, vertrapten en miserabelen een stem te geven. Maar ik hou er nooit zo van om dat hardop te zeggen. Het klinkt zo gezwollen, alsof je een heilige bent.”