Recensie

Recensie Muziek

Een vurige ‘Messiah’ zonder rafelranden op Händeldag

Klassiek Van één dromerige klavecimbel tot het grootse ‘Messiah’: de Händeldag in Utrecht volgde de muzikale voetsporen van een meestercomponist.

Foto Organisatie Händeldag

Net toen sopraan Stefanie True het woord ‘hel’ in de mond nam, knipperde plots het zaallicht en weerklonk de korte loei van het brandalarm. Bemoeide de satan zich met deze Messiah of was het componist Händel zelf, die eens een zangeres toeschreeuwde dat hij Beëlzebub was, de koning der duivels? Hoe dan ook, het gebouw sputterde daarna nog tweemaal zonder aanwijsbare oorzaak. Dirigent Johannes Leertouwer en zijn Nieuwe Philharmonie Utrecht sloegen zich er bewonderenswaardig onverstoorbaar doorheen aan het slot van een lange Händeldag.

Die dag begon met het instrument dat de jeugd van de componist kleurde. Zijn onwillige vader dwarsboomde aanvankelijk zijn muzikale talent en liefde, waarop de kleine Händel heimelijk een clavichord naar zolder smokkelde om in de nachtelijke uren zacht op te tokkelen. De klavecimbelmuziek die Händel later schreef, hield hij grotendeels voor zichzelf. Dat persoonlijke kwam naar voren in de dromerige tederheid, waarmee Paolo Zanzu twee suites ervan speelde.

De muzikale reis ging vervolgens naar Italië, waar de jonge twintiger Händel zo’n drie jaar doorbracht. In zijn blokfluitsonates ontluiken daarvan de eerste invloeden, al liet La Cicala horen dat hij in die tijd nog niet kon tippen aan de tegenwoordig vergeten Francesco Mancini.

Met twee Romeinse cantates lieten sopraan Raffaella Milanesi en het ensemble La Risonanza horen waar Händels grootste talent lag: in de vocale muziek. Het hoogtepunt van de dag was Milanesi’s toegift, de uit het hoofd en dus het hart gezongen aria ‘Piangerò la sorte mia’ uit de opera Giulio Cesare.

Met Messiah wist Händel zich in zijn ‘nadagen’ opnieuw uit te vinden. De Nieuwe Philharmonie Utrecht bracht het meesterwerk met veel vuur. Van de solisten schitterden sopraan True en tenor Nick Pritchard, waar countertenor David Allsopp en bas William Gaunt wat bleek afstaken. Soms ontbrak een operateske rafelrand aan de stemmen, waardoor Messiah net iets te veel een beschouwing bleef van het Christus-verhaal in plaats van het verhaal zelf.