We benaderen en behandelen werkstress nog altijd verkeerd, stelt Willem van Rhenen.

Foto Nick Somers

‘We werken niet te veel, we laden te weinig op’

Interview Structureel ‘op’ zijn hoort helemaal niet bij het leven, zegt bedrijfsarts Willem van Rhenen. „We negeren de vraag: wat gééft energie?”

Moe opstaan, geen energie meer hebben aan het einde van een werkdag – dat hoort nu eenmaal bij het leven. Weekenden en vakanties gebruiken om weer op adem te komen: óók logisch, daar zijn vrije dagen voor. En zo gek is het toch niet, om tegen zessen ‘op’ te zijn? Dan plof je gewoon op de bank.

„Dat is gemeengoed geworden. Zo van: nou ja, morgen weer een dag”, schetst hoogleraar en bedrijfsarts Willem van Rhenen. Maar op die manier moe zijn hoort helemaal niet bij het leven, vindt hij. „Zelfs al zijn we daar met z’n allen van overtuigd geraakt.”

Vorige maand meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek dat 16 procent van de werknemers tussen de 15 en 75 jaar oud zich minstens een paar keer per maand psychisch vermoeid zegt te voelen door het werk. In 2015 was dat nog 13 procent. Zulke vermoeidheid werd gebaseerd op ‘symptomen’ als een leeg gevoel na een werkdag, ’s ochtends moe opstaan en moeite hebben met mensen samen te werken. Belangrijke indicaties van een burn-out, maar tegelijkertijd toch tamelijk geaccepteerde vormen van vermoeidheid.

We benaderen en behandelen werkstress nog altijd verkeerd, liet Van Rhenen, die naast bedrijfsarts ook hoogleraar bevlogenheid aan Nyenrode Universiteit is, in een reactie op dat nieuws weten. Via arbeidsorganisatie Arbo Unie, waar hij in de raad van bestuur zit, sprak hij zich zelfs nadrukkelijk uit: „Er wordt helemaal niet naar de juiste oorzaken van stress gekeken.”

Want als uitputting er maatschappelijk ‘gewoon bij hoort’, dan blijft het moeilijk om op tijd te zien: die begint opgebrand te raken, legt hij uit. „Terwijl zo’n vermoeidheid er intussen wel voor zorgt dat prestaties slechter worden en er meer ongelukken gebeuren.”

Maar de belangrijkste misvatting is volgens Van Rhenen dat wanneer we die vermoeidheid wél serieus nemen, we nog te vaak denken: ‘Ik werk te hard, te véél.’ „Terwijl we in feite niet voldoende opladen.”

Legt dat verschil eens uit.

„Wie stress wil voorkomen of tegengaan, moet op zoek gaan naar de reden dat we uitgeput raken. Dan denken mensen vaak: ik verbruik te veel energie. Maar daar is helemaal niets mis mee. Het probleem is dat er te weinig energie bij komt. Dus wat we zelf, maar ook leidinggevenden, nog te vaak doen op het moment dat iemand veel stress ervaart, is minder gaan werken of een werknemer ontzien. Terwijl we daarmee een fundamentele vraag negeren: wat gééft energie?

„Ik hoor mezelf dit vaak herhalen, maar het blijft een mooi voorbeeld. Op het moment dat mijn telefoon leeg is, leg ik hem dan een week op de vensterbank, of hang ik hem aan een oplader? Dat is het verschil.”

Hoe vertaalt zich dat naar het werk?

„Dat heeft niet alleen met werk te maken. Als bedrijfsarts vraag ik mensen weleens: ‘Wat doe jij om jezelf op te laden?’ ‘Ik sport.’ Dat is interessant, zeg ik dan, want volgens mij kost dat vooral energie. Ik snap wel dat het voor een tijdelijke opleving zorgt, een schwung, maar wat geeft je méér energie dan je had? En dan zie je dat mensen soms al lang niet meer weten waar ze werkelijk plezier in hebben. Het begrip hobby is zelfs een uitstervend fenomeen.”

Het gaat om de dingen die ons structureel gelukkig maken, zegt Van Rhenen. Dat is individueel, en kun je zowel uit je persoonlijke leven als uit werk halen. Al zijn er wel een aantal wetmatigheden aan te wijzen.

Of we gezond zijn speelt bijvoorbeeld mee. En of we voldoende zeggenschap hebben over hoe we onze tijd indelen. Op het werk is een gevoel van autonomie belangrijk, een vertrouwensband met collega’s en genoeg mogelijkheden om door te groeien en nieuwe dingen te leren.

Een cursus stressmanagement heeft dus geen zin?

„Zulke cursussen richten zich vaak op cognitieve vaardigheden, en natuurlijk heeft dat wel enigszins zin. Als ik een perfectionist ben, en ik leer te bedenken dat ik minder zwaar aan bijzaken moet tillen, dan helpt mij dat wel een beetje de stress tegen te gaan. Maar het maakt me niet meteen enthousiast of bevlogen.

„Ik kan er op zo’n moment dus voor kiezen de perfectionist in mij te beteugelen, maar ik kan ook boekhouder worden – om maar iets te noemen. Je moet weten: dit past bij mij, dit kan ik en hier word ik blij van. Het is zelfs belangrijk daar op tijd achter te komen, want eenmaal opgebrand is het vreselijk moeilijk te bedenken wat nu ook alweer wél goed ging.”

Dat klinkt als een heel persoonlijke zoektocht.

„Dat is het ook. Maar dat betekent niet dat werkgevers geen enkele verantwoordelijkheid hebben. Neem de zorg. Ik durf best te stellen dat veel mensen voor die sector kozen omdat ze er willen zijn voor anderen. Ze maken graag een praatje met patiënten, willen iedereen voldoende aandacht geven. Een veelgehoorde klacht is nu: daar is helemaal geen tijd meer voor. Want er moeten ineens acht mensen per uur gewassen worden, in plaats van zes. Dan zit je als werkgever dus fundamenteel te morrelen aan wat jouw personeel energie geeft.”

Dat betekent overigens niet dat werk de hele dag leuk moet zijn en dat niemand een keertje mag overwerken, benadrukt Van Rhenen. Zolang je enthousiasme maar niet de kop indrukt.

Hoe kan ik die zoektocht zelf vormgeven?

„Het is altijd goed jezelf de vraag te stellen: ‘Ik sta nu hier, maar wat is mijn ambitie over vijf jaar?’ Vind je het moeilijk die vraag te beantwoorden, dan maak je waarschijnlijk niet optimaal gebruik van de energie die je hebt, en dat is zonde. Zoek daarom uit waar je het allemaal voor doet. Zo’n perspectief is nodig om ’s ochtends naar je werk te gaan met het gevoel: dáár heb ik zin in. En ook om erachter te komen wat die zin in de weg staat.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.