Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Ingesneeuwd

Marcel van Roosmalen

Ik ging eten met een vriendin aan wie ik twintig jaar geleden al mijn Playmobil had geleend. Die wilde ik, vanwege zelf twee dochters, graag terug. Ik herinnerde me een leger soldaten, maar volgens haar zaten er ook indianen en paarden tussen.

Ze had niets meegebracht. Het was veel meer dan ik dacht. Bovendien ging het dagen kosten om alles terug te vinden, zei ze tussen twee happen door. We zaten in een typisch Arnhems concept: kale muren, sobere inrichting en ingewikkelde gerechten net als in grote steden, maar dat dan wel standaard geserveerd met friet en een emmertje mayonaise.

Het ging al snel over mijn moeder. Ze vond dat ik op papier te veel de ideale mantelzorger uithing.

„Je bent daar altijd.”

Zelf had ze haar ouders eerst naar een verpleegtehuis en daarna naar een verzorgingstehuis gebracht, hetgeen ze haar niet in dank hadden afgenomen. Goed verhaal over hoe haar ouders op die eerste plek waren geterroriseerd door een spokende 93-jarige bewoonster die de gewoonte had om bij mannen in bed te kruipen en om dan te urineren, waardoor de verzorgers hadden besloten dat alle deuren op slot moesten. Toen ze er de eerste keer wegreed, zag ze haar vader zo hard op de ramen bonken dat het glas op en neer golfde.

De volgende ochtend was ik de oplader van mijn iPhone kwijt. We vonden hem uiteindelijk tussen het engelenhaar in de plastic kerstboom.

„Omdat er een stekker aan zat, dacht ik dat het de verlichting was”, zei mijn moeder, „daarom heb ik hem erin gehangen.”

Thuis was de jongste dochter (1) ziek.

„Ik kom eraan!”, hoorde ik mezelf zeggen.

Pas op het station in Velp de constatering dat dat niet kon omdat van hogerhand was besloten dat ik was ingesneeuwd.

Op straat lag niets, maar mijn moeder begreep NS wel. Sterker, nu ze wist dat we waren ingesneeuwd, wilde ze dat ik uit voorzorg zout ging strooien op de stoep voor haar huis.

Ik stond daar met een emmer, de hand in het bijtende zout. Zij gaf aanwijzingen vanachter de vitrage.

Grote gebaren, van ‘nog meer, nog meer en maak de emmer maar leeg’.

„Nou, het zout is op hoor”, zei ik toen ik weer binnenkwam, „de sneeuw die er niet meer ligt zal nu ook wel smelten.”

Meteen die paniek.

De emmer leeg?

Dan moest ik voordat ik vertrok toch echt nieuw zout halen, ik was er toch.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.