Geen pensioenakkoord, hoe erg is dat?

Pensioenakkoord Het kabinet wil graag een pensioenakkoord. Deskundigen vragen zich af of zo’n akkoord wel nodig is. Het huidige systeem is goed óf moet juist drastischer op de schop.

Demonstranten voeren actie op de Maasvlakte in Rotterdam tegen de verhoging van de AOW-leeftijd. FNV Havens houdt opnieuw een protestactie van 66 minuten, maar dit keer samen met de NPB en de andere politiebonden.
Demonstranten voeren actie op de Maasvlakte in Rotterdam tegen de verhoging van de AOW-leeftijd. FNV Havens houdt opnieuw een protestactie van 66 minuten, maar dit keer samen met de NPB en de andere politiebonden. Foto Koen van Weel/ANP

Premier Mark Rutte vindt het „echt verschrikkelijk voor Nederland” dat hij niks kan veranderen aan de pensioenen, zei hij na het mislukte pensioenoverleg vorige maand. Toch is er een reële kans dat het kabinet in 2019 alsnog een akkoord probeert te sluiten met werkgevers en vakbonden – al zal dat niet gemakkelijk zijn. Volgende maand maakt minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) bekend hoe hij daarover denkt.

Maar zou het nu echt zo verschrikkelijk zijn als er geen pensioenakkoord komt – ook volgend jaar niet?

Veel economen en pensioendeskundigen vinden dat het pensioen een veel radicalere modernisering nodig heeft dan de sociale partners tot nog toe bespraken. Werkgevers en bonden, zeggen die experts, wilden een veel te beperkte verandering van het aanvullend pensioen (bovenop het basispensioen, de AOW).

Theo Kocken, hoogleraar risicomanagement aan de Vrije Universiteit, noemt het mislukken van het pensioenoverleg daarom „helemaal niet erg”. Net als andere deskundigen vindt hij dat het pensioen niet meer aansluit bij de arbeidsmarkt. Mensen wisselen snel van baan en dus meestal van pensioenfonds, omdat de werkgever het fonds kiest. Maar je oude pensioen naar een nieuw fonds verhuizen is ingewikkeld. Want je hebt als werknemer geen duidelijk ‘eigen’ pensioenpotje dat je kunt verhuizen. Het fonds heeft één grote gezamenlijke pot, waarin alle deelnemers hun premies storten. Je bouwt slechts ‘aanspraken’ op om later een pensioenuitkering te krijgen. Het is lastig om die aanspraken te verhuizen, omdat pensioenregelingen per fonds sterk kunnen verschillen.

De enige oplossing, zegt Kocken, is een overstap op persoonlijke pensioenpotjes. Werknemers sparen dan hun eigen pensioen bij elkaar, wel bij het pensioenfonds van de werkgever. Pensioenspaarders hebben dan allemaal hun eigen beleggingsresultaat en kunnen hun ‘eigen’ pot makkelijk verhuizen als ze van baan wisselen. Kocken: „Als je deze stap niet zet, heeft een pensioenakkoord geen zin.”

Maar het is vrijwel uitgesloten dat die persoonlijke potjes nu worden ingevoerd. Werkgevers en vakbonden hebben er lang over gepraat, maar de bonden vonden zo’n pensioen uiteindelijk niet ‘solidair’ genoeg. De beleggingsresultaten en dus ook de pensioenopbouw zouden per persoon te sterk gaan verschillen. De bonden eisen dat het pensioen collectief blijft: als je al het pensioengeld vanuit één pot belegt, verdeel je de mee- en tegenvallers over alle deelnemers.

Toch ziet het kabinet-Rutte III perspectief. De vakbeweging kon immers wél akkoord gaan met een andere maatregel die het pensioen wat individueler maakt: afschaffing van de ‘doorsneepremie’.

De doorsneepremie regelt dat iedereen, jong en oud, voor elke euro pensioenpremie evenveel pensioen opbouwt. Ook al is de inleg van een jongere veel meer waard, omdat die langer kan renderen. Het komt er dus op neer dat je in de eerste helft van je loopbaan relatief veel pensioenpremie betaalt en in de tweede helft relatief weinig. Dat is geen probleem voor wie zijn hele leven bij één pensioenfonds is aangesloten. Maar wie halverwege zijn loopbaan het fonds verlaat, bijvoorbeeld om zelfstandig ondernemer te worden, heeft relatief veel pensioenpremie betaald. Daarom wil het kabinet ervan af.

Lees ook deze reconstructie van de mislukte pensioenonderhandelingen: Rutte zag: de bonden kwamen met steeds meer eisen

Miljoenen kortingen

Een andere reden om de pensioenhervorming door te zetten: in 2020 en 2021 dreigen fondsen miljoenen pensioenuitkeringen én -aanspraken te moeten korten omdat hun financiële reserves te klein zijn. En dat terwijl de meeste pensioenen al jarenlang stilstaan.

Als een nieuw pensioen wordt ingevoerd, zijn die kortingen waarschijnlijk van de baan. De meeste fondsen hebben namelijk genoeg geld om alle toekomstige pensioenuitkeringen te betalen, maar zijn verplicht extra grote reserves aan te leggen. De overheid verplicht de fondsen tot die voorzichtigheid omdat zij hun pensioenspaarders een toekomstige uitkering moeten beloven.

Bij een nieuw pensioen hoeven fondsen niks meer te beloven. Ze spreken dan alleen nog een ‘ambitie’ uit over de hoogte van de toekomstige pensioenuitkering. Daardoor hoeven ze minder voorzichtig te zijn. Ze hoeven beleggingswinsten niet in een grote reserve te stoppen, maar mogen die sneller gebruiken om pensioenen te verhogen. Keerzijde is dat er na beursverliezen sneller gekort moet worden. Het pensioen gaat dus meer fluctueren.

De pensioenkorting die nu dreigt, moet voorkomen worden, vindt Peter Borgdorff, directeur van Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Daarom hoopt hij dat het kabinet en de sociale partners alsnog een akkoord sluiten. Zorg en Welzijn dreigt in 2021 te moeten gaan korten. „Dat zou heel slecht zijn voor het vertrouwen in het stelsel”, zegt Borgdorff. „Het lijkt misschien marginaal om per deelnemer 3 euro per maand te moeten korten, maar onze deelnemers hebben de afgelopen jaren ook al 20 procent inflatiecorrectie gemist.”

Te onzeker

Voor hoogleraar pensioenrecht Erik Lutjens (Vrije Universiteit) zijn al deze argumenten niet overtuigend: hij vindt een pensioenakkoord niet nodig. „We hebben al een goed en evenwichtig stelsel dat we niet heel erg hoeven te veranderen.”

Hij vindt het vooral een slecht idee dat fondsen aan deelnemers geen toekomstige uitkering meer hoeven te beloven. „Volgens mij willen werknemers júíst zekerheid hebben over de hoogte van hun pensioen.” Lutjens ziet ook wel dat pensioenfondsen hun beloftes de afgelopen jaren niet konden waarmaken. „Maar als je dan afspreekt dat je pensioenen sneller mag verhogen en verlagen, hou je jezelf voor de gek. Daardoor komt er niet opeens meer geld in het stelsel.”

Als die pensioentoezeggingen onhaalbaar zijn, zegt Lutjens, kun je ze ook wat lager maken. „Misschien moeten we ons niet meer richten op een totale pensioenuitkering van 70 procent van het gemiddeld verdiende salaris, maar bijvoorbeeld 50 procent. En dat ga je dan écht waarborgen.”

Pensioenfondsdirecteur Borgdorff blijft erbij dat de fondsen die beloftes moeten loslaten. In een economische crisis zullen mensen een pensioenkorting beter begrijpen dan bij hoogconjunctuur. „Als de economie groeit en de lonen stijgen, vragen gepensioneerden zich af: waarom mag ik niet meeprofiteren? Dat snap ik heel goed.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.