Opinie

    • Arjen Fortuin

De aarde redden? Deze activist gelooft er niet meer in

Zap Duurzaamheid is een lifestyle geworden, „een fopspeen voor de middenklasse”, stelt Paul Kingsnorth in Tegenlicht. We doen te weinig, we zijn te laat.

Er gaat niets boven een goed verhaal. Waarvan je, ondanks dingen die op het tegendeel lijken te wijzen, zegt: ja, dit is wáár. Of dat je laat zweven in het schemergebied tussen wel en niet geloven. Vandaar dat ik zondag nieuwsgierig afstemde op de tweede aflevering van Sterke verhalen, een programma waarin verhalen worden verteld, die door anderen op hun geloofwaardigheid worden beoordeeld.

We kunnen er kort over zijn. De verhalen hadden de lengte van één zin en het niveau: „Ik heb ooit een verpleegster in het gezicht geplast.” Panelmensen stelden vervolgens vragen om de verteller op een ongeloofwaardigheid te betrappen. Grappig. Denk in het bovengenoemde voorbeeld iets bij elkaar met de woorden besnijdenis, piemel, voorhuid, verband. En plassen dus. U kunt daar zelf een mooi verhaal van maken – daar heeft u de tv niet voor nodig.

Ik geloofde het verder wel, ook al omdat op een ander net Tegenlicht (VPRO) met zijn interessantste uitzending van de afgelopen weken bezig was – en die ging óók over het geloven van verhalen. Of eigenlijk: over een man die niet meer in staat is het verhaal te geloven dat hem het grootste deel van zijn leven heeft voortgedreven: ex-activist Paul Kingsnorth (1972), die jarenlang in de frontlinie van de milieubeweging streed.

Windenergie is niet genoeg

Het verhaal dat Kingsnorth niet meer gelooft, is dat de aarde nog te redden is. Hij woont nu met vrouw en twee kinderen in een van de vele vergeten hoekjes van West-Ierland. Ze proberen zo zelfvoorzienend mogelijk te zijn. Ze verbouwen eten voor zichzelf, planten bomen, onderwijzen hun kinderen. „Als je ergens een boom hebt geplant, kun je er niet goed meer weg.”

Ze doen dat allemaal niet om het tij te keren. Want Kingsnorth is kraakhelder: daarvoor is het te laat. De klimaatcatastrofe komt eraan.

In een groot windmolenpark kan Kingsnorth niet vrolijk worden. Voor hem is het gewoon een heleboel beton, metaal en kunststof, midden in de natuur. Het enige verschil met een klassiek industrieterrein is de CO2-uitstoot. Maar windenergie levert niet genoeg stroom op om in de energiewensen van de mens te voorzien. De milieubeweging is in een val getrapt, vindt Kingsnorth: de val om de aarde als een energiebron te zien. „We eten de wereld op.” Een bos dat wordt gekapt voor windmolens, verdwijnt óók.

Deemoed voor de wereld terugvinden

Kingsnorth, inmiddels schrijver, vertelt een verhaal dat je liever niet zou geloven. Maar hij vertelt het met verve en rijgt de sprekende beelden aaneen. Over hoe duurzaamheid een fopspeen is geworden, een lifestyle die je je kunt veroorloven. Hij noemt de wc een perfecte metafoor: we trekken door en ons afval verdwijnt. „Je merkt er niets meer van, tot je er diep in zit.” Verhuizen naar Mars noemt hij een perfide idee: „We vernietigen de ene planeet en trekken naar de volgende om het daar nog een keer te proberen. Wat zegt dat over wie je bent?”

Het probleem is dat de mens doet of de aarde zijn bezit is: „Wat zouden we ervan vinden als anderen dat zouden doen.” Ons vooruitgangsdenken heeft ons een spirituele leegte bezorgd, zegt Kingsnorth. „De mens is uitsluitend nog in gesprek met zichzelf. Er is niets meer dat ons heilig is, we moeten de deemoed voor de wereld terugvinden.”

Als je drie kwartier naar Paul Kingsnorths bevlogen pessimisme hebt geluisterd, wordt het steeds moeilijker zijn verhaal niet te geloven. Nu maar hopen dat het niet waar is.

    • Arjen Fortuin