Recensie

Recensie Beeldende kunst

Navolgers naast de onovertroffen Caravaggio

Tentoonstelling Op twee tentoonstellingen over het caravaggisme, in Utrecht en Parijs, wordt de bezoeker aangezet tot vergelijken.

Caravaggio, De jonge Johannes de Doper, 1602. (Detail)
Caravaggio, De jonge Johannes de Doper, 1602. (Detail) Beeld Capitolijnse Musea, Rome
    • Gijsbert van der Wal

Caravaggio heette geen Caravaggio. Hij heette Michelangelo Merisi. Caravaggio was de naam van het stadje in Noord-Italië waar hij in 1571 geboren werd. Misschien om verwarring met die andere Michelangelo te voorkomen werd hij later, toen hij als schilder bekendheid verwierf in Milaan en Rome, Michelangelo Merisi da Caravaggio genoemd. In de loop der eeuwen is dat steeds vaker tot Caravaggio afgekort.

Van de persoon Caravaggio werd het woord caravaggisten afgeleid, een verzamelnaam voor de binnen- en buitenlandse schilders die tussen 1610 en 1630 in Rome werkten op een manier die sterk beïnvloed was door Caravaggio’s realisme en zijn dramatische gebruik van licht en schaduw. Caravaggio zelf was al in 1606 uit Rome vertrokken en in 1610 overleden. Maar de jongere schilders konden overal in de stad schilderijen van hem bewonderen. Nu zijn dat oude meesterwerken, toen was de verf nog maar net droog.

Caravaggio, De jonge Johannes de Doper, 1602. Beeld Capitolijnse Musea, Rome

Er zijn momenteel twee bezienswaardige tentoonstellingen aan Caravaggio en het caravaggisme gewijd. In het Musée Jacquemart-André in Parijs worden ongeveer tien werken van Caravaggio zelf (er zijn wat onzekere toeschrijvingen bij) getoond tussen verwante schilderijen van ‘vrienden en vijanden’ die tegelijk met hem in Rome werkzaam waren.

In het Centraal Museum in Utrecht opende koning Willem-Alexander afgelopen zaterdag een grote tentoonstelling over Caravaggio’s navolgers, waarin de hoofdrollen zijn weggelegd voor de drie belangrijkste Utrechtse caravaggisten: Hendrick ter Brugghen (1588-1629), Dirck van Baburen (ca. 1592-1624) en Gerard van Honthorst (1592-1656). Alle drie verbleven zij als twintigers zo’n vijf jaar in Rome en introduceerden ze vervolgens Caravaggio’s schilderkunstige vernieuwingen in Nederland – waar Rembrandt er niet veel later mee aan de haal zou gaan.

Niemand wint van Caravaggio

In beide musea zijn de tentoongestelde werken gegroepeerd naar hun meestal Bijbelse onderwerp. Zo zijn er in zowel Parijs als Utrecht groepjes schilderijen van David en Goliath, Judith en Holofernes, musicerende figuren en mediterende heiligen. Door die opstellingen word je als bezoeker aangemoedigd tot vergelijkend kijken: hoe pakten verschillende schilders hetzelfde gegeven aan? In Parijs valt de vergelijking eigenlijk altijd uit in het voordeel van Caravaggio zelf. Dat heeft voor de andere schilders soms iets zieligs. Bartolomeo Manfredi’s Johannes de Doper met schaap (ca. 1614) is bijvoorbeeld helemaal geen slecht schilderij. Een Rubensachtig geschilderd, halfbloot jongetje verkeert duidelijk op vertrouwelijke voet met een schaap. Mooi detail: de rechter voorpoot die over de linker onderarm ligt.

Caravaggio, De graflegging van Christus, 1602/03. Beeld Pinacoteca Vaticana, Vaticaanstad

Maar de Manfredi verbleekt naast Caravaggio’s De jonge Johannes de Doper (1602), een jongen die is gemodelleerd door licht van linksboven en heel veel schaduwen, met in die schaduwen dan weer reflecties van licht. Zie dat lichte rechter onderbeen zachtjes weerschijnen in de schaduwkant van het bovenbeen. Heel het lijf is met toewijding geschilderd, overal subtiel maar nergens voorzichtig. Het is een van de allermooiste naakten uit de geschiedenis van de schilderkunst. Daarvan wint niemand het.

In Utrecht hangen maar twee originele Caravaggio’s – al is een van die twee wel meteen zijn monumentale Graflegging (1603) uit het Vaticaan. (Helaas mag dat schilderij maar tot 15 januari deel uitmaken van de tentoonstelling.) Daardoor vergelijk je vooral de navolgers onderling. Waarin verschilden ze van elkaar, en waarin verschilden de drie Utrechters samen van de buitenlandse caravaggisten?

Om me tot de Utrechters als drietal te beperken: Ter Brugghen en Baburen lijken op elkaar in hun onhandigheden. Veel van de door hen geschilderde koppen hebben een uitgerekte platheid, die doet denken aan foto’s van het hoofd van Mussolini nadat zijn lijk in handen van een woedende menigte was gevallen. Ze staan vaak ook niet helemaal lekker op de rompen, die hoofden, en in de lichamen laat het perspectivisch verkort weleens te wensen over.

Liefdevolle gebaren

Beeld Santa Maria della Scala, Rome. Caravaggist Gerard van Honthorst, De onthoofding van Johannes de Doper, 1618.

Zulke fouten zijn soms storend. Andere keren zijn ze er wel, maar storen ze niet of nauwelijks, zoals in Ter Brugghens Heilige Sebastiaan door Irene verzorgd (1625). De aandacht wordt daar van Sebastiaans te korte en dunne rechterarm afgeleid door de liefdevolle gebaren waarmee Irene en haar helpster zich over hem ontfermen.

Echt heel goed is intussen Gerard van Honthorst, die als schilder het midden houdt tussen Caravaggio en Rembrandt. In vrijwel ieder ensemble waarin hij mag meedoen is zijn schilderij het hoogtepunt. Anatomie en verhoudingen kloppen, gebaren en gezichtsuitdrukkingen overtuigen, composities zijn goed georganiseerd. Scènes zijn bij hem logisch en vaak gedurfd belicht, met de lichtbron – kaarsen of fakkels – ponticifaal in beeld of net aan het zicht onttrokken door een arm of rug van een figuur, die daardoor een spannend silhouet wordt.

Alleen al de tien Honthorsts – uit onder meer Rome, Florence, München, Londen, Berlijn, Los Angeles en Washington – zijn dus een reden om in Utrecht te gaan kijken. Ze hangen er in een aangenaam ingerichte en zorgvuldig belichte presentatie. Utrecht, Caravaggio en Europa kan nog nét mee op de lijstjes met beste tentoonstellingen van 2018.