Huishoudster in Schots kasteel: ‘alsof ik bij vreemde stam was terechtgekomen’

Kasteelleven Josephine Rombouts runde vijf jaar de huishouding op een Schots kasteel, en schreef er een boek over. „Ik moest vaak aan Fawlty Towers denken, met mij in de rol van Manuel. I know nothing.”

Illustraties Istock, montage NRC

Elke ochtend als ze arriveerde moest ze zichzelf er weer van overtuigen dat ze níét droomde. Dat ze écht hoofd van de huishouding was geworden in een kasteel op een schiereiland in de Schotse Highlands, gelegen op een landgoed van 60.000 hectare, ongeveer zo groot als de halve provincie Utrecht. „Het was zo’n kasteel als kinderen tekenen, met torens, kantelen en een grote voordeur”, vertelt Josephine Rombouts. Het kasteel vormde een stadje op zich: het had een eigen benzinepomp, een garage om auto’s te repareren en een houtzagerij.

Onlangs verscheen van Rombouts (47) het boek Cliffrock Castle, waarin ze met veel humor schrijft over de vijf jaar die ze in het veertiende-eeuwse kasteel werkte. Haar verhaal is waargebeurd, maar Josephine Rombouts is niet haar echte naam, ze heeft het boek geschreven onder pseudoniem omdat ze de privacy van de bewoners wil waarborgen.

In het boek schrijft ze over haar aanvankelijk totale onkunde inzake het huishouden, over de ongelijke verhoudingen tussen de kasteeleigenaren en het personeel, de voor Nederlanders onbegrijpelijke tradities en over de blunders die ze als buitenstaander beging in dat doolhof van ongeschreven wetten en regels. Zoals toen ze de sandwiches voor de drijvers van een jachtpartij op het landgoed serveerde in de dining room in plaats van in de gun room, gelegen dichtbij het buitentoilet op de binnenplaats. Het idéé! De dining room was natuurlijk alleen voor de jagers.

Rombouts verhaal begon als het tv-programma Ik vertrek. Zij en haar man waren veel met vakantie in Scandinavië en Schotland geweest, ze waren net 40, hun twee zoons zaten nog op de basisschool en ze dachten ‘als we ooit een gekke sprong in ons leven willen maken, moeten we het nu doen’. Ze kochten zich in in de oude boerderij van een Nederlandse vrouw, die een hostel voor wandelaars had. Zes weken na hun aankomst overleed de vrouw plotseling. Ze werden meteen uit de boerderij gezet door de erfgenamen en waren hun geïnvesteerde geld kwijt.

„Daar zaten we dan, in dat ruige gebied. We hadden nauwelijks geld om boodschappen te doen.” Via via hoorden ze van een cottage op een schiereiland dat te huur stond en de vacature voor housekeeper op het daarop gelegen kasteel.

Het paste wel bij de Highlands

„We hadden natuurlijk terug kunnen gaan naar Nederland, maar ook daar hadden we geen huis en geen geld. En opgeven was geen optie, vonden we, we waren er net. Bovendien gaf deze tegenslag ons verhaal iets intens, het paste wel bij de Highlands, waar mensen soms wel zes baantjes hebben omdat er in die regio gewoon heel weinig werk is waar je van kunt rondkomen. Je houdt dat bestaan alleen vol door de ongekende schoonheid van de natuur: de zee die tegen de kliffen beukt, de sneeuw in de winter, de herten in je tuin en de mistflarden in de heuvels, dragon’s breath noemen ze die. Dan weet je weer waarom je zoveel doet om daar te blijven.”

Het kennismakingsgesprek met de eigenaren, welgestelde Engelsen uit Londen die het kasteel hadden geërfd, verliep naar wens en Rombouts mocht blijven. Alleen de salarisonderhandelingen, via de rentmeester die kasteel en landgoed bestierde, waren een puntje. „Toen ik hem vroeg wat mevrouw vond van het door mij voorgestelde salaris, zei hij: „Because it is twice as much as any housekeeper ever earned at this estate, it made her raise her brows a bit.” Zijn formuleringen waren zó prachtig! Toen ik bij de rentmeester eens de versleten vloerbedekking in onze cottage, die bij het kasteel hoorde, ter sprake bracht zei hij: „I endeavor to stay clear of the carpets of the tenant”: ik permitteer mijzelf om me niet bezig te houden met de vloerbedekking van de huurder. Je prikte in hem en er kwam literatuur uit!

„Dat was een van de geneugten van die vijf jaar in Schotland: de vertaalslag. Wat zeggen ze, hoe zeggen ze het en wat bedoelen ze er precies mee? Ik heb veel van de rentmeester geleerd. Zonder hem had ik me nooit staande gehouden in die upperclass-omgeving. Hij leverde vaak de ondertiteling bij wat de kasteelvrouw zei en waarschuwde me voor valkuilen. Hij vertelde me dat mevrouw ‘has a tendancy to make unnecessary comments about her husband’ en bond me op het hart om daar nooit, maar dan ook nooit, verbaal of via mijn gezichtsuitdrukking, op te reageren. Immers, morgen kon mevrouw weer anders over haar echtgenoot denken.” Josephine Rombouts voelde zich, schrijft ze in haar boek, alsof ze bij een vreemde stam was terechtgekomen. „Ik moest vaak aan Fawlty Towers van John Cleese denken, met mij in de rol van Manuel. I know nothing.

Niet gelukkig

De eerste maanden was ze niet gelukkig op het kasteel. „Ik schaamde me een beetje: met mijn academische opleiding stond ik wc’s schoon te maken in een onbewoond kasteel. Het hele systeem was upstairs-downstairs: ik mocht alleen naar binnen via de dienstingang en moest pauze houden in de personeelskeuken. Ook als er verder dus niemand in het kasteel was. Op een gegeven moment heb ik mezelf voor de keuze gesteld: of je blijft jezelf zielig vinden, of je maakt er wat van. Ik heb toen besloten om mijn werk honderd procent leuk te gaan vinden.

Ik maakte bijvoorbeeld een studie van het zilver als ik aan het poetsen was: hoe oud is het, welke stijl heeft het, wie heeft het gemaakt? Hetzelfde deed ik met de vele schilderijen. Mijn kunsthistorische bloed ging weer stromen. Ik heb de kasteeleigenaren voorgesteld om een Nederlandse vriendin die schilderijen restaureert een rapport te laten maken over de staat van de kunstwerken. Daaruit vloeide voort dat ze een groot deel van de collectie heeft mogen restaureren. Tegen mij zeiden ze er verder niets over. Niet: ‘joh, wat een leuk idee van je!’ Je emoties tonen is vulgair in die kringen. Pas veel later, bij mijn afscheid, hoorde ik dat de eigenaren mijn initiatief zo hadden gewaardeerd.”

“Ik was vaak maanden achtereen overdag in mijn eentje in het kasteel. Maar als de familie haar komst had aangekondigd, moest ik een soort Downton Abbey uit de grond stampen.”

Het was Rombouts’ taak ervoor te zorgen dat Cliffrock Castle er te allen tijde immaculate uitzag – onberispelijk. Niet alleen als de familie op het kasteel verbleef, maar ook in de lange periodes dat die in Londen was. „Ik was vaak maanden achtereen overdag in mijn eentje in het kasteel. Maar als de familie haar komst had aangekondigd, moest ik een soort Downton Abbey uit de grond stampen. Dan kwamen de vaste kamermeisjes, dat waren de dochters van de schooljuf op het landgoed, de onderhuishoudster, dat was de vrouw van de tuinman, en de loodgieter van tachtig die al decennia op het kasteel werkte. Dan werd er gepoetst, controleerde ik of de tientallen kranen niet lekten, of er geen verf bladderde, of er geen deuren klemden, de gasflessen vol waren, of alle lampen het nog wel deden en liet ik koks invliegen uit Londen en Frankrijk. Het was echt een gigantisch logistiek circus als de familie kwam.”

Klasseverschillen

Rombouts dacht in haar jaren op het kasteel veel na over de Britse tradities. „Toen ik eens werd uitgenodigd door de eigenaresse van een naburig landgoed om samen te gaan tennissen, noemde iemand mij een social climber, wat daar zoveel betekent als iemand die zich omhoog likt. In het Verenigd Koninkrijk is dat ondenkbaar: daar blijf je altijd in je eigen sociale klasse, ook als je nieuw geld hebt. In Nederland word je veel meer beoordeeld op wie je bent, wat je kunt en wat je te melden hebt.”

Het was die klassemaatschappij die Josephine Rombouts en haar man dit jaar deed besluiten om terug te keren naar Nederland. Weg uit de microcultuur rond het kasteel waar je voortdurend moet bewijzen dat je geschikt bent om daarin te functioneren, terug naar de normale wereld, zoals ze het noemt. „We wilden onze kinderen niet laten opgroeien in zo’n klassemaatschappij, waar hun vriendjes op een gegeven moment naar een particuliere middelbare school gingen, ook op zaterdag, en alleen de kinderen van de schaapherder achterbleven op het landgoed. Binnen een half jaar waren onze kinderen compleet van hun vroegere vrienden vervreemd. Ik kon er vijf jaar lang goed tegen, leven in een toneelstuk, en ik heb ook heel erge heimwee naar de Highlands, maar ik weet niet of we ooit terug willen naar die feodale maatschappij.”

    • Friederike de Raat