Opinie

Wie temt de gele hesjes nu er geen kaderpartijen meer zijn?

De onrust in Frankrijk lijkt op die van 1968, meent Hubert Smeets. Alleen missen politieke partijen nu voldoende sociaal draagvlak om de zaak te sussen.

Hubert Smeets

Lijkt december 2018 op mei 1968? Parallellen te over. Toen arbeiders van Renault een halve eeuw geleden samen met studenten van de Sorbonne de grootste werkstaking aller tijden ontketenden, leek het einde van de Vijfde Republiek nabij. Weer sluimert de revolutie, nu gedragen door een coalitie van middenklassers en straatactivisten ter linker- én rechterzijde.

Toch is er een verschil tussen 1968 en 2018. Te weten de rol van de klassieke politieke partij, die door haar gestage teloorgang steeds meer buitenspel staat. Partijen met echte leden en congressen worden nu daarom beschimpt als carrièreclubs. Maar ooit konden ze wel degelijk het oproer kanaliseren en zelfs institutionaliseren, ook als ze zelf revolutionaire pretenties hebben.

Het was de Communistische Partij van Frankrijk (PCF) die indertijd de Vijfde Republiek redde. Nadat de vakbonden, inclusief de communistische CGT, eind mei 1968 met de regering een akkoord hadden gesloten over de verhoging van het minimumloon met 35 procent en de invoering van ondernemingsraden, liet de PCF de studenten in de steek. De partij was als de dood voor het radicale ‘avonturisme’ van de langharige jeugd. Ze koos er liever voor ’68 te integreren in het systeem. Dwarsliggers werden keihard bestreden.

De PCF kon dat ook waarmaken. De PCF had eind jaren zestig niet alleen circa 20 procent van de kiezers, maar ook 300.000 leden – in piekjaar 1979 ruim 560.000 – die in de buurt of de fabriek de boel konden opstoken of juist blussen, al naar gelang het tactische parool vanuit het centrale apparaat in Parijs. Nu heeft de PCF maar 110.000 leden en 2,7 procent van de kiezers onder controle. De vakbond CGT, die volgens de leninistische theorie de ‘transmissieriem’ tussen politiek en volk zou moeten zijn, is er niet beter aan toe: van 2,3 miljoen leden toen naar 650.000 nu.

Alternatieven zijn er amper. La France Insoumise van de trotskistische socialist Jean-Luc Mélenchon, die appelleert aan het resterende PCF-electoraat, zegt weliswaar 580.000 contribuanten te hebben. Maar dat zijn mensen die een e-mailtje hebben ingevuld, geen kaderleden die je om een boodschap kunt sturen. Aan gene zijde van het spectrum stelt Marine Le Pen getalsmatig ook weinig voor: krap 38.000 leden telt haar Front National. De Amerikaanse politicoloog Mark Lilla denkt dat nicht Marion Le Pen wel in staat is een nieuwe brug te slaan. Zover is het echter nog niet.

Een decennium later vervulde een klassieke sociaaldemocratische partij in het op drift geraakte Duitsland nog sterker een dempende rol. De SPD – sinds 1875 moeder aller socialistische partijen – speelde in 1977 de terroristische Rote Armee Fraktion kapot met een mix van democratisering en repressie. Op haar hoogtepunt in 1974, ten tijde van bondskanselier Helmut Schmidt, had de SPD meer dan een miljoen leden. Nu staan er slechts 450.000 Genossen ingeschreven. De vakcentrale DGB mag er als transmissieriem zijn: 6 miljoen leden tegen 6,5 miljoen eind jaren zeventig. Maar ook dat is, gelet op de groei van het herenigde Duitsland, eigenlijk neergang.

Kortom, wie bewaakt de sluizen in de twee grootste landen van de EU?

Als de gele stormloop doorzet, ligt dat niet alleen aan de ‘elite’, maar ook aan het gemis van kaderpartijen die stevig politieke strijd durven te voeren.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.