Recensie

Recensie

Van zoon van een aardappelhandelaar tot premier

Jelle Zijlstra Uit de biografie van Jelle Zijlstra blijkt dat hij zorgvuldig een beeld van zichzelf creëerde als de professor die tegen zijn zin in minister was geworden. In een tijd waarin het vertrouwen in de politiek afnam, was dit de garantie voor zijn succes.

    • Meindert Fennema

Het is bijna niet meer voor te stellen: een minister-president die in een oudejaarsconference zonder enig voorbehoud op het schild wordt gehesen. Het overkwam Jelle Zijlstra in 1966, toen Wim Kan zijn televisieoptreden op oudejaarsavond afsloot met de tekst: ‘Waar we heen gaan, Jelle zal wel zien’, op de klanken van Yellow Submarine, de Beatles-hit van dat jaar. De biograaf van Jelle Zijlstra schrijft: ‘Jelle zal wel zien groeide uit tot een carnavalskraker.’ ‘Wij konden ons niet op straat vertonen of iemand begon dat rotlied te zingen’, herinneren Zijlstra’s kinderen zich.’

Al zou Willem Drees de geschiedenis in gaan als de meest tot de verbeelding sprekende staatsman, Jelle Zijlstra was ongetwijfeld de machtigste. Hij was nog geen week 34 jaar oud toen hij benoemd werd tot minister van Economische Zaken in het tweede kabinet-Drees en zou dat tot 1958 blijven. Daarna werd hij minister van Financiën onder Beel en De Quay tot 1963. In 1966 zou hij kort minister-president worden en daarna president van De Nederlandsche Bank (DNB) tot 1982.

Wie was die man, die in 1918 werd geboren als de zoon van een gereformeerde aardappelhandelaar uit het Friese Oosterbierum, die na de Mulo naar de HBS in Harlingen ging en in 1937 besloot om in Rotterdam economie te gaan studeren aan de Rotterdamse Handelshogeschool?

Beneden zijn stand

Jelle trouwde met een meisje uit Sexbierum, Hainsje Bloksma, dochter van een gereformeerde fabrieksarbeider. Het was een huwelijk beneden zijn stand en daarvan was hij zich terdege bewust. Hij zou de verkering zelfs uitmaken toen hij naar Rotterdam vertrok. Zo schreef hij aan zijn vriendin: ‘Toen ik de laatste keer bij je vandaan ging dacht ik bij mezelf: “Afgelopen. Alles wordt nu anders voor me. Al het oude móet een streep onder, hoe hard het ook valt.”’

Dat was een goede samenvatting van zijn levenshouding en zo zou het ook gaan, maar met één uitzondering: wat betreft Hainsje keerde hij op zijn schreden terug. De verkering raakte weer aan, ook al ergerde Jelle zich mateloos aan de taalfouten in haar liefdesbrieven en spoorde haar aan een taalcursus te volgen. Ze verloofden zich met Pasen 1942 en Hainsje zou in Holland niet als Heintje Zijlstra maar als Hetty Zijlstra door het leven gaan. Zij schonk hem vijf kinderen met wie zij Nederlands spraken.

De Zijlstra’s waren echte assimilanten. En toch zouden zij ook buitenstaanders blijven. Maar van die nood zou Jelle een deugd maken.

Zijlstra promoveerde in 1948 aan de Handelshogeschool en zou nog datzelfde jaar benoemd worden tot hoogleraar Economie aan de pas opgerichte Economische Faculteit van de VU. Ook aan dat gereformeerde bolwerk bleef hij een buitenstaander, deze keer niet omdat hij uit Friesland kwam, maar omdat hij van de Rotterdamse Handelshogeschool afkomstig was en die afkomst nooit zou verloochenen. Die afstandelijkheid behield hij ook tot de Anti-Revolutionaire Partij, waar hij aanvankelijk weinig geliefd was.

Zijn leven lang zou Zijlstra volhouden dat zijn hart bij de economische wetenschap lag en dat hij slechts uit plichtsbesef en na lang aarzelen de politiek in was getrokken. Dat beeld, van de professor die contrecoeur minister werd – en later president van DNB – maakte dat hij zich buiten en boven de politiek kon stellen in een tijd dat die politiek bij het brede publiek op steeds minder vertrouwen kon rekenen. Boer Koekoek betrad in 1963 de Tweede Kamer. In 1966 deden de provo’s van zich spreken; Nieuw Links werd opgericht uit onvrede met de ‘rechtse koers’ van de PvdA, D66 wilde het hele partijsysteem laten ‘ontploffen’. Terwijl het vertrouwen in de politiek tot een dieptepunt daalde, werd de apolitieke hoogleraar razend populair.

Invloedrijkste politicus

Dat beeld creëerde Jelle Zijlstra zelf en hij hield het zorgvuldig in stand, vanaf het moment dat hij ‘zich over liet halen’ praeses te worden van de gereformeerde studentenvereniging SSR in Rotterdam tot zijn benoeming als minister-president. Het is verbazingwekkend te lezen hoeveel moeite hij deed om zijn leerstoel – die hij eigenlijk maar vier jaar bekleedde, van 1948 tot 1952 – als minister te behouden en zo ‘professor Zijlstra’ te blijven. Aan die professorale status droeg bij dat hij de meest ingewikkelde sociaal-economische vraagstukken misschien niet voor arbeiders, maar dan toch voor ‘kleine luyden’ in heldere termen kon verklaren. En ook zijn collega-ministers moesten toegeven dat zij veel van hem leerden.

Als minister van Economische Zaken was Zijlstra niet alleen verantwoordelijk voor de geleide loonpolitiek, maar ook voor de sociale woningbouw. Was hij aanvankelijk de econoom die naar Drees neigde, hij zou steeds meer de monetarist worden die naar de VVD boog. In al die jaren hield hij – heel pragmatisch – de koers gericht op het midden. Hoe hij dat deed wordt door Jonne Harmsma op sublieme wijze beschreven. Ook de negatieve kanten van Zijlstra’s karakter komen aan bod: zijn dwingelandij en zijn gebrek aan zelfkritiek. Wie daarover meer wil lezen verwijs ik naar de – sterk autobiografische – roman Bleu van zijn dochter, die zij onder het pseudoniem Anne Wiarda publiceerde.

Deze biografie van de invloedrijkste politicus van Herrijzend Nederland is behalve een levensbeschrijving ook een meeslepende documentaire van het sociaaleconomisch en monetair beleid in de jaren vijftig, zestig en zeventig. Een prestatie van formaat.