Recensie

Voor rijkeluiszoon Kennedy lag de wereld open, Nixon moest het op eigen kracht doen

Voor een Nederlandse roman is een Amerikaanse president als hoofdpersonage zeldzaam, zo niet uniek. Auke Hulst waagt zich eraan in zijn negende boek Zoeklicht op het gazon. (●●●●)

President Nixon (l) schudt de handt van zanger Elvis Presley in het Witte Huis, 1970.
President Nixon (l) schudt de handt van zanger Elvis Presley in het Witte Huis, 1970. Foto: EPA

Nimmer sinds de Burgeroorlog waren de Verenigde Staten zo tot het bot verdeeld. Nimmer werd een president zo gehaat; een onverbeterlijke leugenaar en boef, die allerlei vuile zaken verbergt, dog whistles gebruikt om racisten achter zich te krijgen, die zich omringt met incapabele mensen, en op het punt staat om te worden afgezet. De haat is overigens wederzijds: de president is paranoïde en houdt lijsten van vijanden bij.

Niet verwonderlijk dat Amerikanen vaak vergelijkingen trekken tussen hun huidige president en Richard Nixon (1913-1994), de enige president die ooit voortijdig aftrad. Boeken over Nixon zijn er genoeg – er is zelfs een opera. Maar er is slechts een handvol romans over hem. Voor een Nederlandse roman is een Amerikaanse president als hoofdpersonage al helemaal zeldzaam, zo niet uniek. Toch waagt Auke Hulst zich eraan in zijn negende boek Zoeklicht op het gazon.

Dit is geen biografie en ook niet echt een vie romancée. Hulst laat de grote gebeurtenissen – de Vietnamoorlog, het bezoek aan China, het Watergate-schandaal – grotendeels links liggen en concentreert zich op de tussenmomenten; de uren dat hij even aan zijn rol ontsnapt en tijd heeft voor overpeinzingen.

Hulst begin met een echt gebeurde, surrealistische scène in 1970: de slapeloze Nixon loopt midden in de nacht het Witte Huis uit om met demonstrerende studenten voor de deur te praten. Let wel, dat is op een moment dat hij niet bepaald goed ligt bij studenten: de National Guard heeft net vier studenten bij een protest in Ohio doodgeschoten, en het leger is Cambodja binnengevallen.

Voor het middendeel springt Hulst terug naar verkiezingsdag 1960. Weer loopt Nixon even weg en gaat lunchen over de Mexicaanse grens, in Tijuana. Het slotstuk beslaat de nacht voor hij aftreedt, in 1974.

Zo dwalen we door Nixons geest, van de momenten dat hij zich onbegrepen voelt, terug naar de uren dat hij zich voor het laatst vrij voelt, naar de schaamte en woede van de laatste uren. Hulst staat niet stil bij Nixon de paranoïcus of de schurk. Hij laat vooral de eenzame slapeloze zien. Hard werken, weinig vreugde. Nixon is een vechter met geduld en zelfbeheersing. Hij weet waar hij vandaan komt: armoede in Californië, tirannieke vader, twee jong gestorven broers. En hij weet hoe hij overkomt: zwetend, stug, grimmig. Hij weet dat ze hem uitlachen en haten.

De geest van de vermoorde president Kennedy vergezelt Nixon door het hele boek. Nixon is jaloers op hem. Voor de rijkeluiszoon lag de wereld open, Nixon moest iedere centimeter op eigen kracht veroveren. En Kennedy speelde minstens even vuil als Nixon, maar kwam overal mee weg.

Op het eind van het boek begrijp je het belang van het middendeel, dat zich afspeelt op de dag dat Nixon verloor van Kennedy – het was 49,7 tegen 49,6 procent. Had Nixon toen wél gewonnen, zo mijmert hij, dan was niet Kennedy, maar hij doodgeschoten en heilig verklaard. Voor hem rest slechts de kogel in de badkamer, óf de openbare vernedering: ‘En nu was hij hier, het eenzaamste moment denkbaar vóór de ondenkbare eenzaamheid van de houten jas.’

    • Wilfred Takken