Opinie

Marga Minco’s ‘tuinpoortje’

Frits Abrahams

‘Het tuinpoortje’. Het dook steeds weer op in de artikelen over Marga Minco na de toekenning van de P.C. Hooftprijs. Door dat poortje vluchtte zij in de Tweede Wereldoorlog weg voor haar belagers. Ze heeft het beklemmend beschreven in haar debuut Het bittere kruid. Toch blijft de vraag: wat is er toen precies gebeurd?

Een moeilijk beantwoordbare vraag, ook voor Marga Minco zelf. Dat blijkt onder meer uit twee van de beste interviews met haar door Ischa Meijer. Hij interviewde haar voor H.P. Magazine in maart 1974 en voor Nieuwe Revu in januari 1991.

In een column voor Het Parool op 31 december 1991 blikte Meijer, alias ‘De Dikke Man’, meewarig terug op die interviews, in het bijzonder op wat Minco hem verteld had over haar vlucht. „Beide malen”, schrijft Meijer, „bleek de schrijfster niet bij machte zich de juiste gang van zaken te herinneren. Ze raakte in de war. En de interviewer voelde zich ellendig. Verder dan ‘Het tuinpoortje, dat is voor mij de bevrijding, het begin van het schuldgevoel’ kwam ze eigenlijk niet.”

Dan berispt de interviewer zichzelf. „Wij, lezers hoeven ook eigenlijk niet te weten wat toen precies gepasseerd is, die dag dat de Minco’s opgepakt zijn. En de auteur hoeft geen verantwoording af te leggen voor het godswonder dat zij heeft kunnen ontkomen.”

In Het bittere kruid beschrijft Minco de gebeurtenis ‘summier’, zoals ze het zelf genoemd heeft. Er staan opeens twee grote mannen in lichte regenjassen in de huiskamer. „Haal onze jassen even”, zegt de vader tegen de ik-figuur. Die blijft in haar mantel op de gang staan en probeert het gesprek tussen de mannen en haar vader af te luisteren. Dan loopt ze weg. „Zacht trok ik het tuindeurtje achter me dicht en rende de straat uit.”

In werkelijkheid is er meer gebeurd. Tegen Meijer vertelt ze daar nogal onduidelijk over (‘Ik heb je Het Tuinpoortje de vorige keer toch nóg niet goed verteld’), maar in 2010 uit ze zich coherenter in het tv-programma Het uur van de wolf.

De bel ging, zij liep de tuin uit en rukte de ster van haar jas, haar ouders probeerden zich achter de schutting te verbergen, twee ‘moffen’ (tegen Meijer spreekt ze van ‘Nederlandse SD’ers’) liepen de tuin in, haar ouders kwamen tevoorschijn, zij bonsde op het poortje en zei „Ik woon hier” tegen een van de mannen, waarna ze werd binnengelaten. Pas een half uurtje later zegt haar vader die cruciale zin: „Haal onze jassen even.” Ze heeft dan in de achterkamer haar ster weer aan de jas genaaid. „Toen heb ik mijn jas met die ster aangetrokken en ben weggelopen. Weer door de tuin en dat steegje, huppekee weg”, vertelde Minco haar tv-interviewers.

Wat ze daarbij gedacht heeft? Dat kon ze zich later niet meer herinneren. „Misschien heb ik wel gedacht; wat doe ik nou?” vertelde ze aan Meijer. „Maar ik heb zéker niet gedacht; nou smeer ik ‘m. Helemaal niet. Ik liep gewoon de keuken uit – niet eens op een holletje. Ik dacht: ze zullen wel achter me aan komen (…).”

In Het bittere kruid heeft Minco zich als romanschrijver tot de essentie beperkt – al dat gedoe in die tuin en met die ster zou alleen maar afleiden van het gruwelijke drama dat zich afspeelde in dat huis aan de Sarphatistraat 155, de plek waar nu een Athenaeum Boekhandel zetelt.