Recensie

Recensie Boeken

Het falen raakt de hoogopgeleide tweeverdiener amper en de zieke werkzoekende des te meer

Democratie De democratische rechtsstaat is in crisis. Daarom stelde de staatscommissie Remkes deze week voor het referendum in ere te herstellen. Twee geëngageerde essays tonen dat het leed dieper zit.

Piet Hein Donner schudt de hand van beroepsdemonstrant Elise Leijten (1962 - 2018) op Prinsjesdag 2011.
Piet Hein Donner schudt de hand van beroepsdemonstrant Elise Leijten (1962 - 2018) op Prinsjesdag 2011.
    • Menno Hurenkamp

In de jaren negentig van de vorige eeuw werd de staat een bedrijf en deed de politiek ideologie in de ban. ‘Marktwerking’ en ‘deregulering’ zetten de toon. De burger werd een klant, de overheid een kassa en het parlement kluste eromheen. Met als gevolg dat het nu een open vraag is waarom overheid en politiek op aarde zijn. Ziekenhuizen gaan failliet, scholen zakken door hun hoeven en overal wordt de stem van de ICT, met zijn eeuwige rampen, gevreesd en gehoord – recent nog de rechtspraak of de Belastingdienst. En het ergst van al: de democratische rechtsstaat levert allang niet meer de verdelende rechtvaardigheid waar die voor is uitgevonden. Want het falen raakt de fitte hoogopgeleide tweeverdiener amper en de zieke werkzoekende alleenstaande des te meer.

Wat te doen? Een schitterend voorbeeld van kurieren am Symptom geeft de Groningse filosofe Annemarie Kok in Herinnering aan de rechtsstaat. Pleidooi voor serieus openbaar bestuur. In een scherp essay breekt ze de staf over de ‘participatieve democratie’, ‘samenredzaamheid’ en andere modieuze fratsen uit de koker van de overheid. Onder het motto dat burgers tegenwoordig zo slim zijn, leggen moderne ambtenaren graag uit dat hun werk overbodig is geworden. Hulp aan zieken of immigranten, inspraak in bouwplannen of het vaststellen van de gemeentebegroting, alles kan ‘op maat’ geleverd, via een ‘app’ gekozen, via een ‘burgeriniatief’ gestart of via ‘interactieve’ dialoog besloten. Dit alles in de hoop dat het naar de smaak van de mondige burger is.

Kok zet deze doe-democratie neer als een stuk leukoplast op verrot beton. Een kleine minderheid praat graag mee met beleidsmakers. Maar het gros van de burgers heeft liever waar voor zijn belastinggeld – hardwerkende ambtenaren en volksvertegenwoordigers. Bovendien leidt al dat geparticipeer af van grote kwesties. ‘Samenredzaamheid’ betekent voor Unilever: even de premier bellen of er niet een miljardje af kan. Kok concludeert: ‘Men heeft binnen ons openbaar bestuur zowel het doel van de democratische rechtsstaat als de middelen die de rechtsstaat biedt om dat doel te benaderen niet meer voor ogen.’ Haar verwijt landt niet bij de minsten: Kajsa Ollongren en Ronald Plasterk als ministers, Jacques Wallage als voorzitter van de Raad voor het Openbaar Bestuur.

Loden jas

Jammer is dat Kok haar betoog opdraagt aan Piet Hein Donner. Haar idee lijkt te zijn dat Donner een ideale gezagsdrager is. Zo’n man in loden jas die ondanks zijn gravitas fietst naar het werk, laat hem nou beslissen in plaats van al die insprekende burgers. Maar de uitspraak van Donner die Kok als motto van haar boek nam, is veelzeggend. Donner claimt daarin dat onze democratie en rechtsstaat ontstonden in de 19de eeuw. Dat is geen neutrale uitspraak maar conservatieve kritiek op de Franse revolutie, in de trant van: goed dat het bestuur het volk weer in toom houdt. En het is ook een citaat uit het werk van papa Donner, de staatsrechtsgeleerde. Minister van geboorte Donner citeert zijn anti-revolutionaire vader om het onrustige electoraat maatschappijleer te geven. Een democratische rechtsstaat op zoek naar nieuwe verbanden tussen uit elkaar gegroeide bevolkingsgroepen heeft met zulke vrienden geen vijanden nodig. Je vergeeft jarenzestigkinderen als Jacques Wallage of Ronald Plasterk hun haastige vernieuwingsdrang opeens ook bijna.

Het boek Groter denken, kleiner doen van Herman Tjeenk Willink is anders. Tjeenk Willinks werk is voor Den Haag wat de Tien Geboden voor katholieken zijn: Heel Erg Belangrijk, behalve als je uit besturen gaat of een mooie buurvrouw hebt. En wat katholieken doen moeten ze zelf weten, maar Den Haag mag zich schamen. De voormalige vice-voorzitter van de Raad van State doet als schrijver niet alleen wat hoort, de woorden van de intellectueel koppelen aan de beelden van de praktijkman. Hij levert ook – kom er eens om – een visie op democratie die ertoe doet in dit tijdsgewricht. Deze is in zijn ogen afhankelijk van de mate waarin de politiek in staat is verschillende visies zichtbaar te maken – op Europa, op wat we van burgers zelf verwachten, op de resultaten van beleid, op de rechtspraak.

Het ‘groter denken’ uit de titel betekent: zien dat de democratische rechtsstaat meer is dan een markt. Een overheid verbindt door haar werk de weerbaren met de kwetsbaren. En waar een markt per definitie op de korte termijn stuurt, zorgt de staat voor de lange termijn. Daarom spreekt de overheid ook noodzakelijk een andere taal dan de markt. Dat hoort reden tot ambtelijke en politieke trots te zijn, in plaats van de ambitie aan te wakkeren om van de staat een business te maken.

Hippe inspraakvogels

Piet Hein Donner. Foto: Hollandse Hoogte

Tjeenk Willink voert een interessant voorbeeld op van de begripsverwarring door de vermarkting, namelijk dat het dom is om in een regeerakkoord op te schrijven dat gebruikers de rechtspraak gaan betalen, zoals in 2010 gebeurde. Want daarmee miskent men dat rechters per definitie voor ons allemaal werken. Vermoedelijk uit innerlijke beschaving laat hij onvermeld dat bij die poging tot ondermijning van de rechtsstaat de al genoemde Donner bepaald niet ver weg was. Waarmee andermaal gezegd moge zijn dat de democratie niet alleen lijdt onder hippe inspraakvogels of neoliberalen, maar ook aan autoritaire lieden die menen dat gewone mensen niet moeten zeuren.

‘Kleiner doen’ uit de titel betekent zélf verantwoordelijkheid nemen, of in de woorden van Tjeenk Willink ‘republikeins burger’ zijn: als man of vrouw met meningen hardop nadenken, de politiek ter verantwoording roepen omdat deze zichzelf niet aan de haren uit het moeras van marktwerking en deregulering kan trekken. Hij pleit wel terloops voor een Constitutioneel Hof, maar zoekt de oplossing voor de crisis van de democratische rechtsstaat minder in vernieuwing van procedures en meer in de noodzaak van hardop debatteren en beter toezien op uitvoering van reeds in gang gezet beleid. Juist wanneer het in de samenleving meer ‘ieder voor zich’ is, is het belangrijk duidelijk te maken dat achter beleid keuzes liggen, dat de staat ook voor andere dingen dan economische groei en nog eens groei kan kiezen.

En dan is het ook cruciaal bestaand beleid beter te evalueren. Met alle zogenaamde vernieuwing door marktwerking en verzelfstandiging zijn er vooral veel toezichthouders en controleurs in de publieke sector bijgekomen. Voordat we dadelijk weer over het bindend referendum beginnen: moet niet eerst eens uitgerekend worden wat al die controle allemaal kost en wie daar precies beter van worden, burgers of accountants?