Opinie

Koester de globalisering, maar leer van het verleden

Globalisering Een radicale hervorming van het kapitalisme is niet het goede antwoord op de grote maatschappelijke onvrede, schrijft . Zorg voor sociale zekerheid.

Illustratie Nanne Meulendijks

In 1997 publiceerde de econoom Dani Rodrik zijn beroemde boek Has Globalization Gone Too Far? Hij was zijn tijd ver vooruit. In die dagen genoot de door het IMF en de Wereldbank gepropageerde globaliseringsagenda nog volop steun. Handelsbelemmeringen moesten worden opgeruimd, kapitaal moest daar worden geïnvesteerd waar het het meest opbracht.

Er was nog geen populistische revolte gaande van mensen die het gevoel hadden de grip op hun leefomstandigheden kwijt te raken: verpleegkundigen die geen pensioen meer opbouwen, een nieuwe generatie die geen vaste baan meer krijgt, oproepkrachten die maar moeten afwachten of er werk voor hen is en die bij tegenvallende inkomsten nauwelijks meer aanspraak op sociale zekerheid kunnen maken. Maar Rodrik hees al de rode vlag.

Zijn boek lag amper in de winkel toen de Azië-crisis uitbrak. Zuidoost-Azië verzeilde in een ongekend diepe recessie, met grote werkloosheid en verarming als gevolg. Het bleek een voorproefje van wat ging komen. Tien jaar later werd de wereld veel harder geraakt door de financiële crisis na de ondergang van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers. De Grote Recessie die volgde, kent zijn gelijke alleen in de Grote Depressie. Het vraagteken in de titel van Rodriks boek werd een uitroepteken.

Lees ook dit interview met Jim Yong Kim, president van de Wereldbank: ‘Globalisering is het water waarin we zwemmen’

Rodriks analyse heeft echter iets paradoxaals. Globalisering is namelijk ook de drijvende kracht achter de belangrijkste ontwikkeling in de afgelopen veertig jaar: de fenomenale groei van de welvaart van tweeënhalf miljard mensen in China en India, maar liefst 40 procent van de wereldbevolking. Deze mensen zijn van absolute armoede naar een redelijk bestaan gegaan. Wat ontwikkelingssamenwerking niet lukte, realiseerde Deng Xiaoping eind jaren ’70 door China te openen voor de wereldmarkt.

Dit is een les die verder reikt dan China alleen. Alle landen die het sinds 1960 is gelukt een Europees of Noord-Amerikaans welvaartsniveau te bereiken, hebben dat gedaan door zich open te stellen voor de wereldmarkt: Japan, Zuid-Korea, Taiwan, Hong Kong en Singapore.

Deze ontwikkeling wordt soms gebagatelliseerd: de groei in China en India zou niet inclusief zijn en ten koste gaan van het milieu. Ik wil niets afdoen aan de kosten van de groei, maar het komt mij vreemd over om de groeiende welvaart van een paar miljard mensen ter zijde te schuiven. Veel van wat wij tegenwoordig zo voordelig kunnen kopen, wordt in China geproduceerd. Nagenoeg iedereen heeft dus geprofiteerd.

Nagenoeg iedereen: er zijn namelijk ook verliezers. De groei in China is ten koste gegaan van de lagere middenklasse in Europa en vooral in de Verenigde Staten. In de afgelopen decennia heeft een groot deel van de industrie in de Amerikaanse Rust Belt haar deuren gesloten. Aan het werk in die bedrijven ontleende de Amerikaanse middenklasse van fabrieksarbeiders decennialang haar status en inkomen. Door de concurrentie uit China zijn die banen verloren gegaan.

IT-revolutie

Toch is globalisering niet het hele verhaal over de Verenigde Staten. De top van de inkomenspiramide is er daar buitensporig op vooruitgegaan – veel meer dan in Europa. Dat is niet zozeer het gevolg van de handel met China maar vooral van de IT-revolutie. Amazon, Apple, Facebook, Google en Microsoft zijn de vijf waardevolste bedrijven ter wereld. Twintig jaar terug waren deze ondernemingen slechts een fractie van hun huidige beurskoers waard, op Microsoft na. Facebook bestond nog niet eens. Hun groei heeft in Amerika geleid tot extreme welvaartsstijging voor een kleine bovenlaag. De financiële revenuen van deze ontwikkeling zijn aan Europa voorbijgegaan.

In theorie zijn de voordelen van globalisering zo groot dat de verliezers gecompenseerd kunnen worden, bijvoorbeeld via sociale zekerheid of belastingen. Maar, en dit is de kern van Rodriks kritiek, juist als gevolg van die globalisering is die compensatie in de politieke praktijk steeds moeilijker geworden. De samenleving is minder homogeen. Ze bestaat uit zeer uiteenlopende groepen, en de voordelen komen op verschillende manieren bij hen terecht.

Dat maakt het moeilijker om overeenstemming over compensatie voor de verliezers te bereiken. Kiezersonderzoek laat zien dat de groepen die door concurrentie vanuit China zijn geraakt, massaal voor Trump hebben gestemd. Rodrik had gelijk: de globalisering heeft haar eigen politieke draagvlak ondergraven.

Populistische revolte

Tijdens de crisisjaren leek de Europese Unie kopje onder te kunnen gaan in de populistische revolte. Maar terwijl Brexit en Trump het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten op stelten zetten, bleef de EU redelijk overeind. De crisis mag het vertrouwen in Brussel hebben geschokt, het vertrouwen in de nationale politiek is minstens evenzeer aangetast. Het recente oproer van de gele hesjes is een verzet tegen Macron – niet of nauwelijks tegen Juncker.

Lees ook deze analyse: De gele hesjes zijn een gevolg – wat volgt?

Pogingen om uittreding uit de EU of de euro op de politieke agenda te zetten, liepen keer op keer spaak – op Groot-Brittannië na. Geert Wilders heeft het na 2012 niet opnieuw geprobeerd, Marine Le Pen heeft haar campagne voor het Franse presidentschap halverwege omgegooid, Griekenland bleek Varoufakis uiteindelijk niet te willen volgen. Dat Italië met zijn regering van Lega en de Vijfsterrenbeweging wel voor een exit uit de euro kiest, lijkt onwaarschijnlijk. De Britse hoop om de EU-lidstaten bij de Brexit-onderhandelingen uit elkaar te spelen, is ijdel gebleken.

Achteraf bezien is deze uitkomst niet verrassend. Opinieonderzoeken laten zien dat de gemiddelde Europese burger meer vertrouwen heeft in Brussel dan in de eigen overheid, zeker in de zuidelijke lidstaten. Europese burgers kiezen bij voorkeur politici die het nationale belang in Brussel vooropstellen.

Veel politici hebben daaruit de conclusie getrokken dat de burger minder Europa wil. Dat blijkt een misverstand. De burger is conservatief. Hij wil zijn nationale belangen beschermd zien, maar vreest de gevolgen voor werk en zekerheid indien er aan de EU of de euro wordt gerommeld. Het vertrouwen in de euro is hoog, zeker in de noordelijke lidstaten.

Niet minder maar meer Europa

Zo heeft een decennium financiële crises, anders dan Nederland beoogde, niet geleid tot minder maar tot meer Europa: er is een Europese president gekomen en het toezicht op de banken is overgegaan naar de ECB. Europa zou anders ook onbestuurbaar zijn geweest. Het klinkt cynisch, maar de eurocrisis heeft de lidstaten dus juist dichter naar elkaar gedreven.

De crisis heeft wel tot wijdverbreide onvrede geleid. Mensen voelen zich in hun bestaanszekerheid bedreigd. Een vaste baan is voor steeds meer mensen onbereikbaar. Veel journalisten worden per woord betaald; docenten aan de universiteit per uur. Hun inkomen is onzeker en de inkomensbescherming via de sociale zekerheid is vaak een lege huls. Voor de oude dag is niets geregeld.

Net als in de jaren dertig tijdens de Grote Depressie zijn hierop twee tegengestelde radicale politieke reacties zichtbaar. De ene reactie kan worden samengevat als ‘eigen land eerst’: protectionisme en grenzen dicht. Trump met zijn slogan ‘America First’ is een voorbeeld. De andere reactie zoekt de oorzaak van de problemen bij de globalisering en de neoliberale beleidsagenda. Dan gaat het over flitskapitaal dat zich aan wet noch gebod houdt. Over multilaterale organisaties als de Wereldhandelsorganisatie en de EU die de gevangenen zijn van het grootkapitaal. Het kapitalisme moet worden vervangen.

Vreemd genoeg hebben beide reacties in de praktijk veel met elkaar gemeen. In de jaren dertig bleken ze geen van beide werkbare programma’s te bieden. Het antikapitalistische antwoord kwam kortstondig aan de macht in Frankrijk, werd in Spanje verslagen in een bloedige burgeroorlog, verdween in Duitsland in 1933 achter de tralies, maar bleek bovenal in Rusland een mislukking. De eigen-land-eerst-variant bleek de weg naar dood en verderf. Dat was niet verrassend, want als ieder land zichzelf voorop plaatst, leidt dat onvermijdelijk tot confrontatie.

Nadat de stofwolken van de Tweede Wereldoorlog waren opgetrokken, bleek een derde stroming de weg naar de naoorlogse welvaart te zijn. Dat was het redelijke compromis van het ‘Beveridge rapport’, vernoemd naar de Britse schrijver en econoom William Beveridge. Hij ontwikkelde tijdens de oorlog een plan voor de inrichting van de naoorlogse samenleving.

Kapitalistische markteconomie

Ondanks de misère van de Grote Depressie werd de kapitalistische markteconomie het uitgangspunt van zijn plan. Het marktmechanisme had de wereld in de voorafgaande eeuw veel welvarender gemaakt, een welvaartsstijging zonder precedent in de voorafgaande twee millennia. Het marktmechanisme was daarom de hoeksteen van de toekomstige samenleving, zo meende Beveridge.

Hij onderkende echter het grote tekort van de markt: zij biedt uit zichzelf geen goede sociale verzekering voor de gevolgen van ziekte, invaliditeit, werkloosheid en ouderdom. Beveridge realiseerde zich dat alleen door dit gat te vullen de vooroorlogse sociale tegenstellingen konden worden overbrugd en radicale politieke stromingen de wind uit de zeilen kon worden genomen. Zijn plan werd het ankerpunt voor de inrichting van het naoorlogse Engeland. In 1948 werd de National Health Service opgericht. In Nederland begon de opbouw van de welvaartsstaat met de AOW.

Net als in de jaren dertig is ook nu de verleiding groot om met radicale oplossingen te komen. Ook nu is het alternatief echter niet een radicale hervorming van het kapitalisme of een nationale oplossing binnen een omheinde polder. Net als in 1945 ziet de wereld nu terug op een economisch en politiek desastreus verlopen decennium. Maar net als in 1945 heeft het kapitalisme de wereld over een langere periode van zeventig jaar bezien een onvoorstelbare welvaartsgroei gebracht, eerst in Noord-Amerika en Europa, en sinds 1980 ook elders in de wereld. Net als toen ligt de oplossing dus niet in revolutionaire veranderingen, maar in een praktische aanpak van de gebreken van het kapitalisme: de sociale onzekerheid voor burgers.

Dat is ook de les van Dani Rodrik: globalisering kan alleen gedijen als het sociale welzijn van de ‘verliezers’ wordt beschermd. Natuurlijk, in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw hebben we gezien wat er gebeurt als sociale zekerheid mensen te veel pampert en te weinig een trap onder hun kont geeft. Dan loopt de samenleving vast. Maar het oude inzicht van Beveridge is onverkort van toepassing: alleen met sociale bescherming blijven sociale tegenstellingen hanteerbaar.

Wantrouwen

De paradox van deze tijd is dat de collectieve verplichtingen die nodig zijn voor een functionerende welvaartsstaat, haaks staan op de sfeer van politiek wantrouwen die sinds de crisis heeft postgevat. De welvaartsstaat vereist collectieve premies en verplichte deelname om selectie tegen te gaan. Verplichtingen kunnen alleen door de politiek worden opgelegd. Het wantrouwen tegen de politiek maakt dat echter onmogelijk.

Lees ook deze analyse over het pensioenakkoord: Rutte heeft haast, vakbonden niet

De discussie over het pensioenstelsel illustreert dit probleem. Op basis van de pensioenplicht heeft Nederland het beste pensioenstelsel ter wereld opgebouwd, waarin risico’s tussen generaties worden gedeeld. Toch leeft in brede kring de overtuiging dat een eigen pensioenpotje voor iedereen veel beter zou zijn, ongeacht de ervaring elders dat dit soort stelsels tot desastreuze uitkomsten leidt. Verdelingsconflicten tussen generaties bedreigen het stelsel. De politiek geniet echter niet het vertrouwen om die conflicten te beslechten.

Door de opkomst van de zzp’er is de sociale wetgeving, de pensioenplicht en de verplichte sociale zekerheid voor grote groepen niet meer van toepassing. De Nederlandse ontslagwetgeving voor vaste werknemers is ongetwijfeld te strikt, maar nu wordt via de achterdeur van het zzp-contract het hele Beveridge-plan bij het oud vuil gezet.

Lees ook dit Twistgesprek: Moeten zzp’ers verplicht worden zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid?

De krachten van de markt vragen om een politieke tegenpool. Voor de aanpak van de excessieve monopoliemacht van de vijf Amerikaanse IT-molochen is de EU onmisbaar. In zijn eentje kan Nederland niets doen. Daarom zal de rol van de EU verder toenemen. Beslissingsbevoegdheid gaat niet terug van Brussel naar Den Haag, zoals Nederland jarenlang heeft bepleit. Integendeel, het Europese duikelmannetje richt zich weer op. Dat is maar goed ook, want Nederland heeft die veerkracht hard nodig.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.