Hij wantrouwde het gezag - hij was het zélf

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Psychiater Joost Schudel (1944-2018) dacht praktisch; hij had niets met freudiaanse haarkloverij.

Joost Schudel in 2004.
Joost Schudel in 2004.

Zijn laatste dag was een prachtige, met stralende zon. In zijn bed voor het raam in de woonkamer nam Joost Schudel in alle rust afscheid van zijn gezin. Een stukje kaas at de enthousiaste kok en fijnproever nog. Ook toen de huisarts kwam, bleef hij kalm – hij had jarenlang als SCEN-arts gewerkt en wist wat er komen ging. Het was goed zo.

„Typerend voor mijn vader”, noemt zijn zoon Willem dit ‘zelf geregisseerde’ einde. „Hij hield zaken graag zelf in de hand.” Niet dat Joost Schudel al genoeg van het leven had: tot op het moment dat hij in november 2017 werd getroffen door een epileptische aanval en er na een reeks onderzoeken een ongeneeslijke hersentumor bij hem gevonden werd, was de oud-hoogleraar psychiatrie nog volop aan het werk. Hij adviseerde psychiatrische klinieken en maakte in 2016 deel uit van de Adviescommissie Voltooid leven, die zich uitsprak tegen het verruimen van juridische mogelijkheden voor hulp bij zelfdoding. Controversiële maatschappelijke onderwerpen had hij ook eerder in zijn loopbaan niet gemeden – hij was niet bang voor weerstand.

Joost Schudel werd in 1944 in het Engelse Reading geboren, anderhalf jaar na zijn broer Tamp. Tien jaar later zou nog broer Bart volgen. Hun joodse moeder Kittie van Zwanenberg was in september 1940 met haar niet-joodse echtgenoot Carl Schudel, haar ouders en haar zus dankzij een bevriende diplomaat aan de Duitse bezetting ontkomen. Na de bevrijding vestigde het gezin zich in Apeldoorn, waar Carl een huisartsenpraktijk kon overnemen. Kittie, ook afgestudeerd arts, nam vooral de organisatie van de praktijk op zich. Ze was een geëmancipeerde, actieve vrouw; zijn sterke karakter erfde Joost vooral van haar.

„Joost was een haantje-de-voorste”, vertelt zijn broer Tamp. „We konden flink ruziën. Hij wantrouwde van jongs af aan elke vorm van gezag – hij was zélf het gezag.” Toen Kittie en Carl in contact kwamen met een Nederlands Hervormde dominee en ook hun zoons wilden laten dopen, was Joost sterk verontwaardigd. „Wij waren niet gelovig”, zegt Tamp. „Joost had zelfs een uitgesproken hekel aan religie. Het jodendom speelde thuis ook geen rol.” Toch zou Joost zijn geliefde oma later als ‘typisch jiddische memme’ omschrijven: ze stopte haar kleinzoons graag vol met lekkere hapjes.

Joost had zelfs een uitgesproken hekel aan religie

Op het Apeldoorns Gymnasium manifesteerde Joost zich als hoofdredacteur van de schoolkrant. Hij had een uitgesproken rechtvaardigheidsgevoel en deinsde niet terug voor openlijke kritiek op het schoolbestuur. Mede hierdoor werd hij tijdens zijn eindexamenjaar van school gestuurd; als volwassene zou hij er met geamuseerde trots over vertellen. Hij slaagde elders voor zijn examen, waarna hij Tamp volgde naar Groningen: „Ik studeerde daar medicijnen en Joost zou naar Leiden gaan, zijn schoolliefde Barry achterna, maar de sfeer daar beviel hem niet. Toen hebben we onze rivaliteit achter ons gelaten.” Tussen Joost en Barry bleef het aan: hun innige vriendschap bleek een gouden recept voor een lang en gelukkig huwelijk, met kinderen Esther (1972), Annebeth (1974) en Willem (1981).

Tegen de tijd dat Schudel in 1976 promoveerde op het gebruik van ziekenhuisbedden in psychiatrische inrichtingen, wist hij in welke richting hij het als psychiater moest zoeken. Willem: „Mijn vader was een generalist, geen specialist. Zijn belangstelling lag vooral op sociaal-maatschappelijk terrein, bij ‘public health’ zoals hij het noemde.” Freudiaanse haarkloverij was aan Schudel niet besteed: als optimist van klassiek liberale snit dacht hij in praktische oplossingen, op basis van feiten en statistieken. Dat botste geregeld met de beroepsopvatting van meer analytisch ingestelde collega’s – ook binnen de redactie van het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, waar Schudel zich in de jaren tachtig als voortvarend, goed gehumeurd redacteur liet gelden.

Mijn vader was een generalist, geen specialist

Van 1976 tot 1985 was Schudel hoofd van de afdeling Geestelijke Gezondheidszorg van de GGD in Den Haag, wat hij vanaf 1980 combineerde met een buitengewoon hoogleraarschap sociale psychiatrie in Leiden. In 1985 volgde een benoeming tot hoogleraar klinische psychiatrie aan het Erasmus MC in Rotterdam – destijds een slecht functionerende afdeling, volgens biologisch psychiater Lolke Pepplinkhuizen, met wie Schudel een maatschap vormde. „Er heerste een rare sfeer, er werd ondermaats gepresteerd. Joost wist veel te verbeteren, maar hij kreeg niet iedereen mee. Dat ontaardde in een financieel conflict, als gevolg waarvan wij voortijdig moesten vertrekken. Jaren later zijn we door de rechter alsnog van alle blaam gezuiverd.”

Omzien in wrok was niets voor Schudel. Er volgde nog een aantal zeer productieve jaren, onder meer bij Forensisch Psychiatrisch Centrum de Kijvelanden. „Mijn vader deed nooit niets”, zegt Annebeth. Willem: „Het wonderlijke was dat je dat in zijn privéleven helemaal niet merkte. Voor zijn vrienden en familie stond hij altijd klaar, onvoorwaardelijk.”