Burgerlijkheid: zo normaal en toch zo gevreesd

Burgerlijkheid De meeste Nederlanders zijn ronduit burgerlijk, maar niemand wil dat toegeven. Floor Rusman onderzoekt waar die schaamte vandaan komt.

Foto's Peter de Krom

‘Momenteel is er niets dat erop wijst dat ik geen burgerlijk leven zal krijgen over een x aantal jaar”, schrijft een anonieme twintiger op het forum FOK!. Erachter zet hij een rood aangelopen emoticon die waarschijnlijk machteloze woede moet uitdrukken. Hij doet een studie, heeft een vriendin, en zal misschien wel gaan reizen, schrijft hij. Maar is dat nou origineel? „Klacht: zoals ik nu leef eindig ik met vrouwtje, een hond genaamd Max of Storm en twee tyfuskinderen die mij leegzuigen (figuurlijk uiteraard).”

De twintiger postte dit in de ‘Klaagbaak’ van FOK!. Het bericht maakte heel wat reacties los. Iemand genaamd Geerd bekende zich te hebben neergelegd bij de burgerlijke levensstijl:

„Zal ook wel aan mij liggen denk ik ben snel tevree, potje bier na het werk.

In de super niet bang hoeven te zijn om je saldo. warme douche.

Klaar.”

Maar de anonieme jongeman kreeg ook veel bijval, voornamelijk van mensen die zich ergerden aan hun vrienden die ineens etentjes prefereerden boven drankgelagen.

Het is een terugkerend thema onder mensen van eind twintig, begin dertig: de angst om, na de spanning van de studententijd, in een sleur te belanden. Comfort vervangt drama, pragmatisme komt voor dromen in de plaats. Hoewel velen er stiekem van genieten onder een deken naar Netflix te kijken, heeft burgerlijkheid zo’n slecht imago dat men in elk geval veinst deze transformatie te betreuren.

De eerste keer dat ik dat zag was ik twintig en kocht een vriendin van me een kamerplant. „Vind je me nu burgerlijk?”, vroeg ze, alsof ze met deze vraag mijn oordeel onschadelijk kon maken.

Niet lang daarna gebeurde het weer, toen mijn vrienden ineens met hardloopschoenen op koffieafspraken verschenen omdat ze zo „een rondje Vondelpark” gingen „doen”. „Maar ik rook nog wel hoor, en ik eet bijna geen groenten”, zei de vriendin met wie ik normaal gesproken hardlopers uitlachte – haar ongezonde levensstijl moest haar er kennelijk voor behoeden ál te burgerlijk te worden.

Dit was nog maar het begin: weer een paar jaar later bleken de uitverkoop in de Bever Sport en tips over leuke speeltuinen volwaardige gespreksonderwerpen te zijn.

‘We zijn echt burgerlijk geworden”, zeggen sommige vrienden met schaamte in hun stem. Maar het is geveinsde schaamte, slecht geveinsd nog ook, want hun trots op de nieuwe levensfase, die zo volwassen is en in zijn saaiheid bijna weer subversief, barst zo door die pose heen naar de oppervlakte.

De vraag is: waarom bestaat die valse schaamte überhaupt? Waarom kunnen mensen niet ronduit zeggen, zoals Geerd op het FOK!-forum, dat ze blij zijn met burgerlijkheid, dat het leven van hen niet zo groots en bijzonder hoeft te zijn?

Algemene eerbied

Om te zien hoe burgerlijkheid aan haar slechte imago kwam, moeten we terug in de geschiedenis. Van oudsher heeft het begrip twee betekenissen, een juridische (ingezetene van het land) en een morele. In de tweede betekenis verwijst het woord ‘burgerlijk’ naar het waardenpatroon en de levensstijl van de burgerij. De schrijver Menno ter Braak vatte het in Carnaval der Burgers (1930) bondig samen: „De burger is ‘citoyen’, enerzijds, hij is ook de ‘Spiessbürger’, anderzijds. Hij heeft ‘burgerrecht’ en hij is tegelijk ‘burgerlijk’. Hij maakt dus aanspraak zowel op algemene eerbied, als op algemene verachting.”

Maar die verachting was er niet vanaf het begin. Het waardenpatroon en de levensstijl van de burgerij werden vanaf de Middeleeuwen tot halverwege de negentiende eeuw juist positief gewaardeerd, als een voorbeeld van deugdzaamheid. Typisch burgerlijke waarden waren bijvoorbeeld spaarzaamheid, gematigdheid, fatsoen, eerlijkheid en nuttigheid.

Dat veranderde pas aan het einde van de negentiende eeuw, met de kritiek van de Tachtigers op de burgerlijke moraal. Lees bijvoorbeeld Frederik van Eedens weinig vleiende typering van de kleine burgerij: „Ze stinkt naar vieze kranten en rotte novellen, ze muft van benauwde ploertigheid en bekrompenheid, ze zit vol klein, geniepig ongedierte, vol brave, burgerlijke luizen, ze ademt onoprechtheid en ze zweet gemeenplaatsen.”

Zo ontstonden de polen kunstenaar en kleinburger, avant-garde en massa. Wie die burgerlijke types precies waren, was in dit soort kritiek trouwens in the eye of the beholder. Zoals Menno ter Braak het omschreef: „De paria (de burgerman) laat zich oneindig verlagen, omdat hij slechts de lagere graad vertegenwoordigt; de adel noemt de stadspatriciër burgerlijk, de patriciër noemt de gegoede ‘burgerij’ burgerlijk, de burgerij noemt de kruidenier burgerlijk… ad infinitum”.

Kortom, in het contrast met een ander verwordt men tot een burger. Centraal in Ter Braaks boek stond de tegenstelling tussen burger en dichter. Die tegenstelling zien we terug bij Provo, dat in de jaren zestig ageerde tegen het „klootjesvolk”: de burgerij die verslaafd was aan consumeren en tv kijken, „die apathiese, afhankelijke, geestloze troep kakkerlakken, torren en lieveheersbeestjes”. Tegenover het klootjesvolk stelde Provo homo ludens, de spelende mens.

De opstandelingen uit de sixties hielden in de daaropvolgende decennia het klootjesvolk onder de duim: in rap tempo werd alles ontburgerlijkt, van het huwelijk tot de spelling.

Nu hebben we een geschiedenis van burgerlijkheid, maar nog geen definitie. De Van Dale geeft er verschillende. De omschrijving van de morele kant van burgerlijk luidt: eenvoudig als een burger; kleingeestig, bekrompen. Maar is dat nou echt hoe mensen de term nu gebruiken? Ik denk het niet.

Wanneer ik aan mensen vraag wat ze onder burgerlijk verstaan, komen ze vooral met voorbeelden van dingen, van IKEA-kasten tot rond geschoren buxushagen. Uit een enquête van LINDA blijkt dat vrouwen burgerlijkheid associëren met bakfietsen, Uggs en prosecco drinken met vriendinnen. Dat duidt op een veranderde visie op het begrip: verwees ‘burgerlijk’ tot halverwege de vorige eeuw nog vooral naar een mentaliteit, inmiddels gaat het ook om een consumptiepatroon.

Dat is ook wat historicus Remieg Aerts twintig jaar terug beschreef in zijn artikel over burgerlijkheid, gepubliceerd in de interessante bundel De stijl van de burger. Het leven draait veel meer dan vroeger om consumeren, maar in dit consumeren vertonen burgers nog steeds conformistisch gedrag, schreef Aerts. „Nederland maakt immers een bij uitstek uniforme indruk, in kleding, stadsbeeld en woninginrichting.” Ja, denk alleen al aan de close-ups van bloemen die mensen aan de muur hebben hangen, aan de boeddhabeelden in de vensterbank, de hartvormige kokosmatten voor de deur. Deze eenvormigheid wordt veroorzaakt door „de macht van het aanbod”, schreef Aerts: „Wie geen behoefte heeft aan voortdurende of persoonlijke keuzen, kan terecht bij dit eenvoudig beschikbare, nadrukkelijk aanwezige aanbod.”

Kern van burgerlijkheid

Het woord conformisme dat Aerts gebruikt komt in veel publicaties over burgerlijkheid terug en dat is logisch, want volgens mij vormt het de kern van burgerlijkheid. Maar conformisme is niet per se hetzelfde als voldoen aan de norm. Het gaat erom met welke intenties de norm gevolgd wordt.

Een voorbeeld. „Als ik groot ben, ga ik achterstevoren aan tafel zitten en met mijn handen eten”, schreef ik als twaalfjarige in mijn dagboek: zó vreselijk vond ik de tafelmanieren die wij thuis kregen opgelegd. Toen ik op kamers ging wonen, gebruikte ik deze vrijheid optimaal. Ik lepelde avocado’s leeg in bed en vond dat dat telde als dineren. Inmiddels eet ik op gezette tijden normaal voedsel met mes en vork. Onderwerp ik mij nu aan de norm? Nee, want het maakt mij niet uit wat mensen vinden van mijn eetgewoonten. Ik ben er simpelweg (en teleurstellend genoeg) achter gekomen dat dit de handigste manier is om te eten.

Dit is ouder worden: je een eigen weg willen banen door het leven en gaandeweg op dezelfde rails belanden als iedereen. Dat is logisch en niet per definitie burgerlijk, want in dat geval zou het ook burgerlijk zijn om in de winter een jas aan te trekken.

Burgerlijkheid is het maken van de gangbare keuze, niet omdat dat de interessantste optie is, maar omdat het makkelijk is.

Burgerlijk is het wanneer je geen behoefte meer voelt de norm ter discussie te stellen, wanneer je de status quo wel prima vindt, wanneer je de toevallige vorm waarin je leven is gestold accepteert zonder je druk te maken over alle niet onderzochte alternatieven.

Dat is waarom het zo’n slecht imago heeft: burgerlijkheid is een capitulatie voor het middelmatige. Niet toevallig zijn het de jongeren die zich er het meest tegen verzetten: die hebben nog de illusie dat er méér in het leven zit, dat zij te bijzonder zijn om hun smaak met de meerderheid te delen.

Burgerlijkheid is dus ook een vorm van bescheidenheid: het burgermannetje aanvaardt de wijsheid van de massa en waant zich niet bijzonderder dan anderen. Hij schept er een bepaald genoegen in dat zijn oude, naïeve zelf achter hem ligt: „Ja, die jongeren hebben dromen en romantiek. Maar ze komen er nog wel achter dat je meer hebt aan een windjack van Bever Sport.”

Degenen die blijven afgeven op burgerlijkheid, voelen zich intussen verheven boven de conformistische massa. Dat is een wederkerige relatie, want de massa erkent dat die niet-burgerlijke zich op een bepaalde manier boven het gepeupel verheft. „Men wil de dichter als langharige, als de op-rijm-schrijver, als de onsterfelijke, als de onnuttige”, in de woorden van Ter Braak.

Je zou kunnen zeggen: sinds de jaren zestig won de dichter het van de burger. We kijken op tegen grote kunstenaars, zie de hagiografieën die verschijnen bij de dood van popsterren als David Bowie.

Maar tegelijk is er juist een verheerlijking gaande van de burgerman. Mark Rutte roemt de hardwerkende en Sybrand Buma de gewone Nederlander, Jesse Klaver brengt een ode aan leraren en zorgverleners, Wilders koestert Henk en Ingrid. Er is nooit een politicus die zegt: ik omhels de randfiguren, bohemiens en querulanten. Logisch ook, want die zijn niet zo talrijk. Zoals de historicus Johan Huizinga schreef in Nederlands Geestesmerk (1935): „Of we hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletariër. Onze nationale cultuur is burgerlijk in elken zin, dien men aan het woord hechten wil.”

Huizinga is niet de enige die dit opmerkte. Nederland staat bekend als het burgerlijke land bij uitstek, met een grote middenklasse, een sterk gelijkheidsideaal en een bijbehorend conformisme. „Als opstandeling beuk je hier je kop stuk op de granieten muur van burgerlijke behoudendheid”, aldus provo Roel van Duijn in zijn Inleiding tot het provocerend denken.

Lees ook: Waarom we gelukkig worden van de dagelijkse sleur

Huizinga en Van Duijn hebben nog steeds gelijk, de ontburgerlijking door de sixties ten spijt. De vrije geest van toen wordt nu overal uitgedreven, de laatste krakersbolwerken worden ontmanteld, en een partij die Normaal. Doen. als slogan had, werd de grootste van het land.

Kortom, de burger mag dan in theorie hebben verloren, in de praktijk is hij nog steeds de winnaar.

Voor wie hier de rillingen van krijgt valt er een lichtpuntje te vinden in Carnaval der Burgers. De tweedeling burger – dichter, schrijft Ter Braak, bestaat in de werkelijkheid niet. De twee polen zijn in het echt onlosmakelijk met elkaar verbonden. Juist het bestaan van burgerlijke normen bewijst de aanwezigheid van dichterlijke emoties: de eerste dienen om de laatste te beteugelen.

Het is een nogal abstracte redenering, maar Ter Braak had wel een goed punt. En hij schreef het ook mooi op: „In het levende individu zijn burger en dichter één, omdat zij aan het levende individu te onderscheiden zijn. ‘Wij’ zijn, allen, burger-dichters of dichter-burgers.”

Misschien een geruststelling voor de anonieme jongeman op het FOK!-forum: in iedere burger schuilt een dichter, bij sommigen een grote poëet, bij anderen een klein dichtertje.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.