‘Sódemieter op! Dit zijn ónze rechten’

Demonstreren

Echt demonstreren, in grote groepen met spandoek en leus, dat doen minder mensen dan vroeger. Tegelijk zijn er nu méér demonstraties. Kleinschalig, snel op poten gezet, voor specifieke deelbelangen. Een week tussen de Haagse betogingen. ‘Zullen we hier in een kringetje gaan staan?’

De Stichting Japanse Ereschulden, slachtoffers van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog, betoogt elke tweede dinsdag van de maand bij de ambassade.
De Stichting Japanse Ereschulden, slachtoffers van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog, betoogt elke tweede dinsdag van de maand bij de ambassade. David van Dam

Uit de laadbak van zijn Chrysler pakt Dirk een houten kruk. De 80-jarige veteraan, gekleed in tenue, plant ’m op de stoep. Daarna een geluidsbox. Hup, óp de kruk. En nu een dik touw. „Wegwezen! Doorrijden!” wuift hij een auto na die had willen parkeren.

Aan beide kanten van de Tobias Asserlaan, een statige laan vol ambassades in Den Haag, komen ouderen aanlopen, sommigen met wandelstok. Ze verzamelen voor de ambassade van Japan. Een aantal gaat zitten op klapstoeltjes terwijl Dirk het touw, ooit van een legervliegtuig, om een boom knoopt, en om een verkeersbord en om twee lantaarnpalen. Hij hangt er een spandoek aan. ‘Japan terrorized our daily lives.’

Jammer alleen dat het spandoek nu pal tegenover de buurman hangt, de ambassade van Frankrijk. Tegenover de Japanse ambassade mag niet van de overbuurman, de ambassadeur van de VS, die het dan voor z’n hek zou krijgen.

„Hallo! Hallo!” Terwijl Dirk de microfoon test dwaalt zijn blik af naar de overkant van de straat, waar opnieuw een auto stopt, een gele Subaru met draaiende motor. „Niet de auto laten staan!”

Demonstreren, laat dat maar aan Dirk Megchelse over. Met militaire precisie regelt hij al jaren elke tweede dinsdag van de maand de betoging van stichting Japanse Ereschulden, slachtoffers van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. „Alles moet kloppen”, zegt Dirk met één hand op de laadklep. Hij zorgt ervoor dat iedereen netjes parkeert, dat de batterij van de geluidsbox tijdig is opgeladen en dat niemand rottigheid uithaalt. Zo heeft Dirk weleens „een lawaaischopper” een trap onder z’n kont gegeven. Vonden de andere leden te ver gaan. Die herriemaker heeft toch óók rechten, zeiden ze. Maar dan wordt Dirk nijdig. „Híj rechten? Wíj rechten! Sódemieter op! Dit zijn ónze rechten.”

Tientallen demonstraties per week

Artikel 9 van de Grondwet: ‘Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dat artikel is, na de betogingen van de ‘gele hesjes’ en vorige maand van Kick Out Zwarte Piet, weer erg actueel. Demonstreren lijkt terug van weggeweest, en de media doken erbovenop: de burger in opstand, komt dat zien!

Alleen: zo uitzonderlijk zijn die demonstraties niet. Sterker nog, van een paar honderd demonstranten kijken ze in Den Haag, de demonstratiehoofdstad, niet op. Daar maken jaarlijks zo’n 1.500 groepen – van twee of meer – van hun demonstratierecht gebruik. Dat zijn bijna dertig demonstraties per week. ’s Zomers zijn het er meer dan ’s winters, en het gros is op dinsdag, woensdag en donderdag, als de Tweede Kamer vergadert. Een permanente onderstroom van burgers die het oneens zijn met de status quo. Demonstreer een weekje mee in de Hofstad en je ziet de onvrede in het land. Wie zijn die betogers, wat drijft hen, wat is het effect?

Elke maandagochtend opent burgemeester Pauline Krikke om tien uur het driehoeksoverleg op het stadhuis. Agendapunt is steevast de weeklijst met aangemelde demonstraties inclusief naam, doel, plaats en verwachte opkomst. Ze zijn per e-mail binnengekomen en een ambtenaar heeft ze al bekeken.

Oordelen op inhoud zal Krikke niet, verbieden evenmin. Voorganger Wim Deetman deed dat eens in 2000 – mocht de club van Dirk Megchelse niet bij de Japanse keizer staan – en in zijn afscheidsspeech jaren later kreeg de burgemeester het nóg te horen. Nee, het recht op demonstreren, weten bestuurders, is een gevoelig punt. Faciliteren, daar gaat het om. Waar staan de betogers, is politie-inzet vereist? En als men in groten getale wil marcheren door de stad, is afspraken maken nodig.

Er zijn deze week 22 demonstraties aangemeld. Het gebruikelijke rijtje. Oeigoeren de hele week voor de Tweede Kamer, Iraanse vluchtelingen in de winkelstraat, de Falun Gong op zondag voor het Vredespaleis. Op de lijst staan vakbonden, stichtingen, een enkele particulier en een handvol evangelisaties – ook die tellen mee. Aanmelden dient vier dagen van tevoren. Maar demonstreren gebeurt ook onaangekondigd of spontaan, zoals laatst met Kick Out Zwarte Piet. Of gewoon helemaal níét.

Taxichauffeurs protesteren op Het Plein tegen duurdere zorgbusjes.David van Dam

‘Wie heeft de petities?’

Het regent op maandag en in de winkelstraat klinkt door de speakers bij de Bijenkorf het kerstliedje It’s The Most Wonderful Time Of The Year. Iraanse vluchtelingen zouden hier demonstreren, maar waar zijn ze? En die twee Oeigoeren voor de ingang van de Tweede Kamer? Een marechaussee haalt zijn schouders op. „Tja, ze zouden wel komen.”

Op naar Scheveningen dan maar, waar volgens de aanmelding driehonderd aanhangers van Gbagbo, oud-president van Ivoorkust aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden, de hele dag voor de gevangenispoort zouden staan. Maar bij de ingang wacht alleen een man in een rolstoel. „Ik, demonstrant? En dan? Als er rellen uitbreken? Snel wegwezen?”

Dinsdag niet veel beter. Het beloofde klapstuk, fruitteler Frans van de Polder uit Rotterdam die Het Plein voor de Tweede Kamer zou volstorten met bananen – „Laat Nederland niet uitglijden op de btw-verhoging op groente en fruit!” – laat het afweten. De boel is afgeblazen, zegt hij door de telefoon. „M’n groentezaak gaat ook gewoon door. Het ene personeelslid was ziek, de ander had z’n vakantie verkeerd ingepland.”

En zo zijn het de ouderen van Stichting Japanse Ereschulden die op dinsdagmiddag het spits afbijten. Al 28 jaar staan ze maandelijks voor de ambassade voor erkenning van hun lijden. Vraag naar hun ervaringen in Japanse kampen en je hoort de gruwelijkheden. „Heb twaalf lijken uit de put moeten halen.” „Zat te beven in een hoekje terwijl iemand met een hakmes werd onthoofd.”

Op dinsdag „lekker jappie pesten”, zo begon het. Eufórisch waren ze toen ze in 1990 begonnen met demonstreren voor de ambassade. Zestig dagen achtereen. De Japanners durfden niet naar buiten te komen. „En vól dat het hier stond”, zegt de 81-jarige Jeannette Freeke. „Driehonderd man. We zongen en vertelden elkaar verhalen en daarna lekker met elkaar eten.” Maar veel zijn overleden. „Deze week ook alweer vier.”

Daar komt de voorzitter aan. „Petitie? Wie heeft de petities?” Jeannette Freeke zoekt haar man Jan. „Waar is-ie nou?”

Petitie? Wie heeft de petities?

Jan heeft op kantoor het lied gekopieerd dat ze altijd zingen voor de ambassade, twee coupletjes, inmiddels ook te horen bij de begrafenissen, én de petitie die de voorzitter elke maand binnen aan de Japanse ambassadeur overhandigt. Een officieel antwoord hebben ze nog nooit gekregen. „Maar ze zitten er wel te praten”, zegt Jeannette. „En deze ambassadeur is heel aardig hè.”

„Heb je niks aan!” snauwt iemand.

Een „moeilijke club”, noemt Jeannette haar medebetogers. „Iedereen hier wil zijn gelijk halen. En anders dan de Joden hebben we niet één verhaal. De meesten van ons waren nog kind toen we getraumatiseerd raakten, ieder met eigen herinneringen, soms flarden.” En toch hangen ze „als klitten” aaneen. „We hoeven elkaar niks te zeggen.”

„Mensen, mag ik even aandacht?” roept Dirk aan de overkant van de straat. „Jongejongejonge… Ga er nou even bijstaan, niet weglopen…” Hij start de muziek en als het gezang begint stopt de bladblazer in de tuin van de overburen even zijn werk. De jaloezieën van de Japanse ambassade blijven gesloten. „Tot straks in het Marriott”, roept Jeannette na het slotakkoord. „Gaan we Hollandse loempia’s eten!” Kroketten, bedoelt ze. De loempia’s zijn er niet te doen.

Er mogen dan veel betogingen zijn, tegelijk lijkt demonstreren een steeds minder populaire manier om iets gedaan te krijgen. Tussen 2002 en 2017 daalde het aantal mensen dat deelnam van 10 tot 6 procent, becijferde het Sociaal en Cultureel Planbureau. Tegelijk won het thuisactivisme aan populariteit: het aantal mensen dat online had meegedaan aan een politieke discussie of actie nam toe van 10 naar 24 procent.

Sinds 2002 steeg het áántal betogingen in Den Haag juist explosief: van 305 tot zo’n 1.500 nu. „Méér en kleiner”, dat is wat de Haagse gemeenteambtenaren zien. Zij krijgen alle demonstratie-aanvragen onder ogen en constateren: er is niet meer één zaak, één belang waar de massa voor strijdt. Op de aanmeldingslijst vind je nu een waaier aan kleinschalige betogingen, deelbelangen. De opkomst van de „casusdemonstrant”.

Bij elke aanmelding proberen de ambtenaren te schatten hoeveel demonstranten zullen komen. Als op Facebook wordt opgeroepen tot actie, weten ze: meestal komt 10 procent opdagen. Bij slecht weer: nog minder. Het Malieveld vol? Dat lukt alleen nog met Bruce Springsteen. Zestigduizend stakende leraren in het Zuiderpark, dat was vorig jaar veruit de allergrootste demonstratie in tíjden.

Hier vanachter hun bureau zien ze dat sociale media de demonstraties veranderen: een betoging is veel sneller georganiseerd, éénderde van alle aanvragen is internationaal. „Als ergens in de wereld iets gebeurt, zien we dat nu metéén terug in Den Haag.” En het moet opvallender om de aandacht nog te vangen: demonstranten komen verkleed, delen suikerspinnen uit of willen met tractoren naar Het Plein. Een simpel spandoek is niet genoeg.

Lees ook: Hoe zit het ook alweer met demonstreren in een vrij Nederland?

Signaaltje afgeven

„En nu?” vraagt een taxichauffeur. „Moeten we een rondje lopen of zo?” Het is dinsdagmiddag en op Het Plein kijkt een twintigtal demonstranten wat vertwijfeld om zich heen. Ze hadden zich verzameld met protestborden rond een taxibusje. Want als het aan het kabinet ligt, worden deze busjes, bedoeld voor de zorg, duurder en dat willen ze niet.

„Het gaat om het signaal”, had organisator Hubert Andela van de vakbond gezegd. Dat signaal bestond niet alleen uit een snoeihard alarm dat de demonstranten lachend op Het Plein lieten afgaan; belangrijker was de petitie die ze aanboden aan Kamerleden. Maar wat nu? De demonstranten gaan op de foto, een langslopende gitarist voegt zich bij hen. „Geen idee wie dit is”, zegt Ieke de Leeuw van Stichting Voorall – voor Hagenaars met een beperking. Ze springt om warm te blijven.

Vroeger waren de taxidemonstraties heftiger, zegt de 58-jarige Frans Krul. „Ik heb de roerige jaren tachtig en negentig nog meegemaakt, toen ging het er militanter aan toe, hè hè hè.” Geamuseerde ogen in een woest bebaard gezicht. „Maar ik ga nog steeds mee. Als je niets doet, weet je zeker dat er niets gebeurt.”

Hij ziet ineens wethouder Richard de Mos lopen en rent op hem af. „Ries!” Eenmaal terug heeft hij zijn analyse over de verminderde actiebereidheid klaar. „De prestatiedrang is groter: mensen moeten hard werken, ze hebben geen tijd om te demonstreren. Jongeren doen ook minder mee, voor hen is actievoeren abstract.”

Wanneer SP-Kamerlid Renske Leijten naar buiten komt, luisteren de demonstranten eerbiedig. „Schroom niet om te mailen met de woordvoerders Financiën! Druk helpt altijd!” zegt ze. Na een tijdje loopt ze weg, draait zich weer om, steekt haar vuist in de lucht en zegt met een lach: „Actie! Actie!” De demonstranten doen gelijk mee.

Schroom niet om te mailen met de woordvoerders Financiën! Druk helpt altijd!

Wie denkt dat demonstraties bedoeld zijn om de argeloze voorbijganger warm te krijgen voor een goede zaak, heeft het mis. Al die betogingen, ze vallen voorbijgangers, veelal verdiept in hun telefoon, nog amper op. Maar de gemiddelde demonstrant heeft een ánder doel. Een betoging is slechts middel, instrument, de blaaspartij in een groter orkest. Stap twee in een langer onderhandelingsproces.

„Werkt altijd”, zegt actieleider Jef Stassen. Terwijl de taxidemonstranten aftaaien wacht hij verderop met een dertigtal militairen op de Lange Voorhout op de staatssecretaris voor cao-overleg. Met een spandoek en een tas vol hesjes staat het gezelschap tussen de herfstbomen. Deels in camouflage vallen ze amper op. „Het gaat ons niet alleen om het geld hoor”, zegt Stassen. „Het gaat ons óók om de pensioenen.”

Stap één was gisteren. Toen zaten ze op de tribune bij het Kameroverleg, „om te laten zien dat we het belangrijk vinden”. Nu zijn ze beland bij de volgende stap: de ludieke demonstratie. „Signaaltje afgeven.” Bij aankomst van de staatssecretaris zullen de militairen op het bordes met rode loper een erehaag vormen. „Nú nog een erehaag”, zegt Stassen dreigend.

Stap drie, dat zijn de acties, „het oude scenario”. Steeds iets verder opvoerend. Zo was het sluitstuk bij de vorige cao-onderhandelingen belegering van ministerie, „kon niemand erin of eruit”.

Maar dat is ditmaal nog niet aan de orde. „Je moet je kruit niet meteen verschieten.” En de middelen zijn beperkt. Tanks inzetten? „Mag niet.” Ministerie bombarderen? Hij schudt nee. „Da’s een no go.”

Als de staatssecretaris arriveert, staan de militairen keurig opgesteld op het bordes. „Beetje strijdbaar jongens!” roept Snels. Voor het oog van de persfotografen legt een vakbondsleider zijn arm om de schouder van de staatssecretaris en zegt: „Nou, volgens mij zijn we het allemaal met elkaar eens.” Terwijl ze samen over de rode loper naar binnen lopen, knalt een busje van een bezorgingsbedrijf de stoep op. Een jongen met pakketje snelt erachteraan door de erehaag naar binnen.

Actie bij Defensie, voor een betere cao, op de Lange Voorhout.David van Dam

Vijftien jaar lang, elke dag

Een handvol demonstraties heeft burgemeester Pauline Krikke sinds haar aantreden in anderhalf jaar tijd beperkt. Dat mag volgens de wet op basis van verkeersproblemen, gezondheidsrisico’s of gevaar voor de openbare orde. Eénmaal wilde een groot gezelschap demonstreren voor de ambassade van Israël, waar de ruimte beperkt is – verkeersproblemen. Ze moesten een paar meter verderop. Een paar keer mocht radicaal-rechts niet staan op de gevraagde locatie wegens vrees voor de openbare orde, zoals toen ze voor de moskee een varken aan het spit wilden rijgen.

De gemeente zoekt graag mee naar een locatie. Het immense Malieveld kiezen demonstranten liever niet – staat algauw wat knullig. Idealer is het naastgelegen Koekamp, zichtbaar en met veel passanten en tegelijk overzichtelijk en beheersbaar. En als tegendemonstraties worden verwacht, rechts versus links, is de Koninginnegracht wel zo prettig: elke groep aan één kant en een stel agenten op de brug. Beproefd recept.

Lees ook: De wetenschap achter ‘spontane’ demonstraties

Ook gezondheidsrisico’s kunnen reden zijn voor een beperking. Zo zijn meerdaagse kampementen sinds de ervaringen met Occupy in principe beperkt tot een week en maximaal vijf tenten waarvan één met open zijde en geen gastoestellen. En toen de ambtenaren eens de kennisgeving binnenkregen van iemand die zichzelf wilde verhangen op het Binnenhof, hebben ze de burgemeester geadviseerd daar niet mee in te stemmen. Een ander betoogde in de rechtszaal met een beroep op het recht op zelfbeschikking dat hij zichzelf tijdens een demonstratie in brand zou mogen steken. De rechter oordeelde dat niet alleen de gezondheid van de betoger een rol speelt, maar ook die van omstanders die zoiets moeten zien.

„Weet u wat er gebeurd is in 1988?” De 65-jarige Farhad Bagat komt overeind van zijn klapstoeltje. Het is donderdagmiddag voor De Bijenkorf, waar nog altijd dat kerstliedje door de speakers klinkt. Bagat betoogt samen met een collega vanachter een tafel vol boeken over misdaden van de Iraanse regering. Hij praat vurig met handgebaren. „Binnen twee maanden zijn dertigduizend gevangenen geëxecuteerd! Zónder proces!”

Al twintig jaar staan ze hier. De twee Iraanse vluchtelingen zijn het demonstrerend straatmeubilair zoals ook de Oeigoeren dat zijn – al hebben die zich al de hele week niet laten zien – en op zondag Falun Gong-beoefenaars in dubbele lotushouding voor het Vredespaleis. Komen de Oeigoeren en de Falun Gong elkaar tegen, ze betogen beiden tegen China, dan tekenen ze elkaars petitie – al vinden de Oeigoeren dat ze méér onderdrukt worden dan de Falun Gong.

Demonstratie in de Grote Marktstraat door Falun Gong.David van Dam

Bij de Falun Gong is het vuur sowieso wat gedimd sinds Mei Lang Bin vorig jaar plotseling stopte. Vijftien jaar lang stond-ie dagelijks in weer en wind voor het Vredespaleis, maar na het overlijden van zijn vrouw leverde hij alle promotiemateriaal in. „Doe er wat moois mee”, zei hij alleen. Het voormalig boegbeeld schijnt nu in de Heer te zijn.

Zoiets zal Farhad Bagat niet overkomen. Hij was dissident en vluchtte in 1988 uit Iran toen duizenden werden geëxecuteerd. Zelf zat hij vier jaar gevangen, hij werd gemarteld en geslagen met elektrische kabels. Hij was jarenlang ambtenaar van de provincie en nu vecht hij als lid van het Nationaal Iraans Verzet „voor vrijheid en democratie”.

Geregeld krijgt Bagat op straat verwensingen naar zijn hoofd van moslims die hém een terrorist vinden. Kan hem niks schelen, hij is niet bang. „We vechten voor democratie!”

Wie een weekje demonstreert kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de bezigheid vooral ouderen trekt. In dezelfde week informeert jongerenorganisatie Laks voorzichtig bij media of interesse is voor een aanstaande betoging in Den Haag. Een mars, dat kan met kleine opkomst prima. Want demonstreren, zegt voorzitter Jordy Klaas, is nog altijd effectief: „Als je met duizend man fysíék ergens staat, daar zullen beleidsmakers toch iets mee moeten.” Maar hij ziet ook dat jongeren druk zijn met andere dingen. „Voetbal, toetsen, familie.” Zijn jongeren zich minder bewust, voelen ze minder betrokkenheid? Jordy Klaas weet het niet.

Falun Gong protesteert in de winkelstraat tegen onderdrukking in China.David van Dam

Met politici op de foto

„Goedemiddag!”

„Hallo! Zal ik ook even helpen?”

Op Het Plein staan donderdagmiddag zo’n twintig ouderen rond een tas vol borden met daarop foto’s van hun kleinkinderen. Ze moeten vastgeklemd aan stokken en dan de lucht in. „Zullen we hier in een kringetje gaan staan?”

De actieleider pakt de microfoon en doet eerst een mededeling. „Hárder”, klinkt achterin.

Er is helaas een mededemonstrant overleden. „Was altijd enthousiast aan het flyeren. Vergat zelfs de bewakers voor de Tweede Kamer niet.” Daarna is het tijd voor de introductie van een gast, vast ritueel. Een gepensioneerde dijkgraaf neemt het woord. Hij zal vertellen wat de waterschappen inhouden.

Grootouders voor het Klimaat demonstreert sinds twee jaar elke eerste en derde donderdag van de maand. Eerst aan de achterkant van het Tweede Kamergebouw, nu bij de ingang. „Hier komen meer politici langs”, zegt de 71-jarige Paula van Lier. Ze behoort samen met haar man Lowie (74) tot de vaste kerngroep. En iedereen staat hier voor het klimáát, niet om vrienden te worden. „Maar je merkt wel dat er meer samenhang ontstaat. Je leert elkaars namen, mensen gaan onderling steeds meer gesprekjes aan.”

Demonstratie op het Plein door Grootouders voor het Klimaat.David van Dam

De ouderen komen vanuit Haarlem, Hilversum, Voorschoten, Rijswijk, Brielle, Eindhoven. De meesten met de trein. „En onderweg probeer ik met onbekenden vaak een praatje te beginnen”, zegt de 74-jarige Enny de Zwaan. „Dan vraag ik ‘goh, waar gaat u heen?’ en dan hoop ik dat ze ook eens meedoen.” Zelf was ze er een tijdje niet vanwege de hartstilstand van haar man. Maar hij is erbovenop en nu komt ze weer, eens per maand. „Als ik vrij reizen heb.”

„En dan kom ik nu bij de vierde kerntaak van de waterschappen…”, zegt de dijkgraaf. Enkele demonstranten zijn erbij gaan zitten.

„Een pittig verhaal, maar je leert er wel van”, zegt Enny de Zwaan naderhand. „Zoals dat ik me er nog eens rustig in moet verdiepen.”

GroenLinks-Kamerlid Kathalijne Buitenweg komt aangelopen. Het is pauze tijdens haar begrotingsbehandeling. „Hartstikke leuk!” zegt ze. „Supergoed dat jullie zo vasthoudend zijn.” Ze gaat met de demonstranten op de foto.

„Ze willen wel met ons gezien worden hoor”, zegt Paula van Lier. „Vaak zetten politici ’t zelf op Twitter.” Maar toen ze hier eens stonden naast een jongerenclub met klimaatactivisten, wisten ze niet wat ze zagen. „Toen kwamen die politici pas echt allemaal erop af. En metéén het Jeugdjournaal erbij.” Lowie van Lier: „Het journaal, dat heeft ons twee jaar gekost.”

Als Kathalijne Buitenweg vertrekt, stelt de actieleider voor om nog tien minuutjes op een rij te gaan staan, „zodat we ook nog even demonstreren”.

Ze gaan zingen. „We got to wake up, we got to open our eyes, and do it now now now.”

Vijf minuten later breken ze op. „Tijd voor de borrel.”

Hoe komt een protestbeweging tot stand? Wetenschap 2-3

Correctie (15 december 2018): Eerder werd in de tweede alinea verwezen naar de Gustav Mahlerlaan in Den Haag. Dat is aangepast naar de Tobias Asserlaan.

    • Freek Schravesande
    • Floor Rusman