Recensie

Recensie

Al wat ons overstijgt én bindt

    • Marjoleine de Vos

Religie In een fantastisch geïllustreerd boek stelt kunsthistoricus Neil MacGregor, oud-directeur van het British Museum, aan de hand van religieuze objecten, maar ook gebouwen, vele vragen over vele religies. En hij beantwoordt ze ook.

De Muisca, levend in wat nu het noorden van Colombia is, hadden geen betaalmiddel, maar wel goud. Daarvan maakten ze schitterende beeldjes en beeldengroepen. Als er een nieuwe leider ingewijd moest worden, smeerden ze die in met iets kleverigs, bliezen hem vol stofgoud zodat hij een gouden man werd, ‘el dorado’, en zetten hem met enkele helpers en die gouden beeldjes op een vlot. Midden op het meer werden alle mooie en kostbare kunstwerken plechtig overboord gezet. Voor de goden. Dan kwam de nieuwe chef terug en ging het leven verder.

Door onder meer dit ritueel werd er evenwicht en vrede gecreëerd tussen de goden die het Al bestierden en de mensen die in deze wereld leefden. Het lijkt een paradijselijke toestand en dus is die verdwenen: de Europeanen kwamen en probeerden direct alles wat de Muisca aan hun goden hadden gegeven voor zichzelf te veroveren. Ze lieten het waterpeil in het meer zakken (de Spanjaarden) en later zelfs het hele meer leeglopen (de Britten) om het goud van de goden te veroveren.

Die handelwijze staat in een onplezierig contrast met de zo weinig hebzuchtige manier van leven die de Europeanen daar aantroffen en verstoorden, maar het heeft wel iets opgeleverd: een schitterend gouden vlot met daarop biddende figuurtjes, in het midden een grote eveneens gouden figuur, waarschijnlijk de nieuwe leider, waarschijnlijk tijdens zo’n ceremonie, terechtgekomen in het British Museum in Londen. De oud-directeur van dat museum, Neil MacGregor, een begaafd, en in Engeland vanwege zijn radioprogramma’s ook zeer bekend kunsthistoricus, vertelt erover in zijn rijk geïllustreerde boek Leven met goden (Living with the Gods).

Dat boek is een verrukking. Het gaat over de manieren waarop mensen leven en leefden met hun goden, en dus, zegt MacGregor (1946), met elkaar. In zijn boek vraagt hij zich af, aan de hand van religieuze objecten, afbeeldingen en riten, plaatsen van rituele samenkomsten en de eventuele gebouwen die daarbij horen, wat een gemeenschappelijke religie kan betekenen voor een gemeenschap of een natie, hoe zo’n geloof de relatie tussen het individu en de staat bepaalt en hoe al die vormen van geloof hebben bijgedragen tot wie we nu zijn.

Dat is niet weinig ambitieus en het zou gemakkelijk tot taaie geschiedenis kunnen leiden, maar dat is hier geenszins aan de hand. MacGregors boek kiest onderwerpen en voorbeelden uit de enorme berg van religieuze mogelijkheden, en zo ziet de lezer steeds andere houdingen, andere gewoonten en overtuigingen. Hoe gaat men met de doden om, hoe met de jaargetijden, wat is bidden, wat de kracht van zingen? Wat zien we als we naar iconen, inscripties, onooglijke beeldjes of reusachtige heilige figuren kijken? Wat betekent het voor een godsdienst om geheel uit woorden te bestaan, of juist uit gebaren of beelden? Het aantal vragen dat hier opgeworpen en beantwoord wordt is enorm, maar de antwoorden zijn nooit sluitstukken, ze tonen de rijkdom aan zingevende handelingen en beelden. Daardoor is elk hoofdstuk aanleiding tot tal van gedachten, overwegingen en verlangens.

Planetennamen

De nieuwe Theoloog des Vaderlands waarschuwt voor het afbrokkelen van religie. Kerken moeten niet lijdzaam toezien, maar zichzelf vernieuwen. Lees ook: ‘We raken de taal van de religie kwijt’

Het belangrijkste wat MacGregor lijkt te willen laten zien, is hoe gemeenschappelijke rituelen en feesten een gemeenschap scheppen en in stand houden, en hoe de mensen aan zichzelf en aan elkaar laten zien dat er iets is wat ze overstijgt én bindt. Dat begint al met de namen van de dagen van de week, waarin de Romeinse en Germaanse godennamen doorklinken die tevens planetennamen zijn. Zodoende, schrijft MacGregor geven die dagen een vorm aan de tijd en plaatsen ze onze levens in een kosmische orde – ook al hebben we daar al lang geen erg meer in.

Zo is er eigenlijk maar weinig dat geen betekenis heeft, of andersom: er is maar weinig waaraan mensen geen (goddelijke) betekenis willen hechten. En hoewel in West-Europa het religieuze beleven sterk is afgenomen, valt moeilijk vol te houden dat religie in de wereld onbelangrijk is geworden.

Ongeboren kinderen

Ook in landen waar de moderniteit hoogtij viert, zoals in Japan, ontstaan nieuwe riten, bijvoorbeeld een ritueel dat een plaats geeft aan de ongeboren kinderen. Ouders van doodgeboren, geaborteerde of in de baarmoeder gestorven kinderen nemen deel aan een boeddhistische ceremonie en brengen speelgoed naar de tempel. Dat weerspiegelt, aldus MacGregor, een visie die vrij algemeen gedeeld wordt in de Japanse samenleving: dat de beslissing om tot abortus over te gaan privé is en een spirituele dimensie heeft. Dat is een heel andere manier van denken dan in de christelijke, de Joodse en de islamitische wereld waar kinderen gezien worden als een gave van God aan de gemeenschap. Met als gevolg dat een abortus zowel een zonde jegens God als jegens de gemeenschap is.

MacGregor begint zijn buitengemeen erudiete en toegankelijk geschreven boek met hoofdstukken die vooral de nadruk leggen op de verbindende kanten van religie. In het middendeel laat hij zien hoe verschillende gemeenschappen hun religie hebben vormgegeven, bijvoorbeeld met meer goden of juist met één, en hoe de verschillende geloven er wel of niet in slaagden met elkaar samen te leven; zo is er in het boek een voorbeeld te zien van een Indiase hindoe-mythe speciaal gemaakt voor een islamitische heerser. In Europa vond men het idee dat een bevolking op verschillende manieren God zou aanbidden niet bepaald makkelijk – de woeste protestantenvervolgingen in bijvoorbeeld Frankrijk getuigen daarvan en natuurlijk ook het wijdverbreide antisemitisme. Het boek eindigt met een aantal hoofdstukken waarin de nare kanten van religie het meest de nadruk krijgen, de intolerantie en de wreedheid.

Maar de grote kracht van dit boek zit hem in de talloze details, in de vele kunstvoorwerpen, in al die manieren die mensen hebben gevonden om uit te drukken en te beleven wat zich niet in termen van wet en economie laat vangen. Daarbij zijn de mooiste dingen gemaakt en de vreselijkste dingen gedaan.

De afnemende rol van religie heeft niet, zoals men vroeger vreesde, geleid tot meer criminaliteit, maar wel, meent MacGregor, tot een verlies van gemeenschap: ‘goed met elkaar leven is zo dicht bij de hemel als we kunnen komen.’