Gele hesjes zonder draaiboek: de wetenschap achter ‘spontane’ demonstraties

Sociologie Ineens waren ze er: demonstranten in gele hesjes. Hoe ontstaan zulke spontane massaprotesten?

Foto’s Julien de Rosa / Niels Wenstedt / EPA / ANP

Vorige maand waren ze er ineens: demonstranten met gele veiligheidshesjes, die zo lieten zien dat ze bij elkaar hoorden. Eerst in Frankrijk, waar honderdduizenden mensen in verschillende steden en op snelwegen protesteerden tegen verhoging van brandstofprijzen. Daarna ook in onder meer België en Nederland, waar kleinschaliger demonstraties plaatsvonden met een veel vager anti-regeringskarakter.

Hoe komt het dat zo’n beweging er ineens is, dat mensen plotseling de straat opgaan voor iets nieuws waar geen organisatie achter lijkt te zitten en waarvan – in Nederland – de eisen ook niet heel duidelijk zijn? Wat is daar vanuit de wetenschap over bekend? Drie vragen.

1 Hoe verloopt de stap van ontevreden zijn naar de straat op gaan?

Ja, dat weten we dus niet precies. Jacquelien van Stekelenburg hield hier anderhalf jaar geleden haar oratie over als hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit; de veelzeggende titel was ‘Protest voorspellen is zo eenvoudig nog niet’. Waarom wordt in de ene gemeente wel geprotesteerd tegen de komst van een asielzoekerscentrum en in de andere niet? Voor gemeentebesturen zou het handig zijn om dat van tevoren te weten, zei Van Stekelenburg, maar dat is eigenlijk onmogelijk.

Hetzelfde zegt Martijn van Zomeren, adjunct-hoogleraar sociale psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen: „We weten veel over sympathisanten en activisten, maar hoe je van het een naar het ander komt, daar is nog niet zoveel over bekend. Hier in de Groningse aardbevingscontext zou je ook meer protesten verwachten. Voor ‘WOinActie’ [tegen de bezuinigingen in het hoger onderwijs, red.] gaan we dan weer wél de straat op.”

Drie factoren spelen in elk geval een rol, zegt hij, willen mensen actief worden: „Ze moeten een sterk gevoel van onrechtvaardigheid ervaren, het idee hebben dat ze met hun actie iets kunnen bereiken, én zich identificeren met een groep die hetzelfde denkt, zodat ze niet alleen staan.”

En om een demonstratie tot een succes te maken, moet aan nog vier voorwaarden worden voldaan, zegt Van Stekelenburg, die als socioloog meer naar het grote plaatje kijkt. „Er moeten ten eerste voldoende sympathisanten zijn. Die moeten ten tweede wéten dat er een demonstratie komt, er moet ruchtbaarheid aan gegeven zijn, want niemand googelt: ‘ik ben boos waar kan ik naartoe’. Die mensen moeten vervolgens ook wíllen demonstreren – een probleem, want Nederlanders zijn geen demonstranten.” In representatief onderzoek onder de Nederlandse bevolking door bureau Gfk, in opdracht van het College voor de Rechten van de Mens, zei 14,9 procent weleens actief te hebben meegedaan aan een demonstratie in Nederland. Bij driekwart van die mensen was het langer dan vijf jaar geleden. Eén procent van de bevolking zei de afgelopen twaalf maanden gedemonstreerd te hebben. Dat vindt Van Stekelenburg wel heel laag, zegt ze. Ze ziet meestal iets hogere cijfers, maar lang niet zo hoog als in Frankrijk: „Daar zei in 2008 40 procent weleens gedemonstreerd te hebben.”

Demonstrant met geel hesje in Parijs. Foto EPA\Julien de Rosa

En tot slot de vierde voorwaarde, zegt ze: als mensen al willen demonstreren, moeten ze ook nog maar kunnen. „Een vrije dag kunnen nemen, vervoer kunnen regelen.” Bij de grootste demonstratie in Nederland ooit, op 29 oktober 1983, protesteerden ruim 500.000 mensen tegen de plaatsing van 48 kruisraketten in Woensdrecht. „Driekwart van de Nederlanders vond dat die kruisraketten niet geplaatst moesten worden”, zegt Van Stekelenburg, „maar slechts 4 procent stond die dag in Den Haag op straat.”

Dat uiteindelijk maar zo weinig sympathisanten daadwerkelijk in actie komen, maakt het ook extra moeilijk om te onderzoeken wat nou precies maakt dat ze die stap nemen, zegt Van Zomeren. „Om dat goed te onderzoeken, moet je longitudinaal kijken: een steekproef van de bevolking volgen, hopen dat een deel ervan zich ontwikkelt tot activist en die mensen vergelijken met mensen die geen activist zijn geworden. Maar het probleem is dat die groep activisten héél klein is. Demonstreren is eerder uitzondering dan regel.”

2 Hoe verschilt protest zonder organisatie van een georganiseerde demonstratie?

„Bij de traditionele variant maakt de vakbond of een andere sociale organisatie meestal een draaiboek”, zegt Van Stekelenburg, „en die organisatie bepaalt ook wat de eisen zijn”. In de literatuur heet dat collective action. Daar hebben de politieke wetenschappers Lance Bennett en Alexandra Segerberg in 2012 het begrip connective action tegenover gezet, vertelt Van Stekelenburg, om bewegingen als Occupy en de Arabische Lente te beschrijven. Ze deden dat in een wetenschappelijk artikel dat ze een jaar later uitwerkten tot een boek: The Logic of Connective Action. Bij connective action worden de actievoerders niet door een bestaande organisatie gecoördineerd, maar vinden ze elkaar via sociale media. Vaak wijzen ze bemoeienis van bestaande organisaties af, soms laten ze zich een beetje bijstaan, maar in elk geval zijn de uitlatingen van de deelnemers persoonlijker dan wanneer een organisatie vooraf de eisen heeft vastgesteld.

Demonstrant met geel hesje in Parijs. Foto AFP

En dat kan het lastiger maken om de eisen van connective actievoerders in te willigen. Dat zie je bij de gele hesjes in Nederland, zegt Van Stekelenburg: „Het is niet duidelijk wat hun overkoepelende claim is. Iedereen die boos is, is welkom; ze schrijven hun individuele claims op hun hesjes en dan hebben ze het gevoel: ik doe er tenminste wat aan. Maar ze staan niet samen ergens voor. Voor politici is het moeilijk om daarop te reageren.” Dat is het grote probleem bij demonstraties zonder organisatie of infrastructuur, vindt ook Van Zomeren: „Dat gele hesje is mooi herkenbaar, maar wat het betekent? Je kunt er wel mensen mee mobiliseren, maar een serieuze gesprekspartner worden van de politiek op de lange termijn – dat is moeilijker.” Willen de ‘gele hesjes’ dat dan? „Dat is een goede vraag. Ik ben benieuwd hoe de Nederlandse gele hesjes die vraag zouden beantwoorden.”

Van Zomeren denkt op zich dat ook demonstranten zonder organisatie de straat op gaan uit een gevoel van onrechtvaardigheid, het idee iets te kunnen bereiken en het gevoel deel uit te maken van een groep gelijkgestemden – net als traditionele demonstranten dus. Maar het zijn waarschijnlijk wel wat andere mensen. Dat zag Van Stekelenburg toen ze twee verschillende scholierendemonstraties uit 2007 met elkaar vergeleek: een die voortkwam uit één MSN-berichtje („dat bestond toen nog”) en een demonstratie die precies een week later door scholierenorganisatie LAKS was georganiseerd. De scholieren die naar de LAKS-demonstratie gingen, waren gemiddeld iets ouder en van hogere opleidingen. Dat sluit aan bij Noors onderzoek, dat ook liet zien dat sociale media relatief jonge mensen met een relatief lage sociaal-economische status op de been brengen.

Lees ook: Wie temt de gele hesjes nu er geen kaderpartijen meer zijn?

3 Hoe verloopt de stap van geweldloos protest naar geweld gebruiken?

Hier heeft Otto Adang onderzoek naar gedaan. Hij is bijzonder hoogleraar veiligheid en collectief gedrag aan de Rijksuniversiteit Groningen en lector aan de Politieacademie. Adang observeerde onder meer demonstraties, gebeurtenissen rondom voetbalwedstrijden en het uit de hand gelopen verjaardagsfeest van een 16-jarig meisje in Haren, op 21 september 2012, dat als Project X bekend werd.

Je moet onderscheid maken, vertelt hij, tussen het ontstaan van geweld en de escalatie van geweld, dus dat er steeds meer mensen mee gaan doen. „Geweld kan op twee manieren ontstaan. In ongeveer de helft van de gevallen is er een aanleiding: er gebeurt iets wat mensen frustreert of boos maakt. Ze worden bijvoorbeeld tegengehouden door de politie of weggehaald als ze een weg blokkeren. In de andere helft van de gevallen is er geen duidelijke aanleiding, maar is een groep jonge mannen actief op zoek naar confrontatie. Die willen gewoon de gelegenheid benutten.”

Geweld kan vervolgens escaleren, zegt Adang, als mensen het idee hebben dat dat kán – „als de kans op repercussies laag lijkt” – en als er een wij-tegen-zij-sfeer ontstaat. Dat gaat zo: „Bij een protest zijn de normen vaak niet duidelijk. Wat acceptabel wordt gevonden, ontwikkelt zich. Iemand begint met vuurwerk naar de politie te gooien, mensen die dat niet leuk vinden gaan weg en je houdt een kleine groep over die dat wel leuk vindt. Dan wordt de drempel voor die mensen lager. En hoe groter de tegenstellingen tussen ‘wij’ en ‘zij’, of die nu al bestonden of ontstaan in de interactie tussen verschillende groepen, des te groter de kans op escalatie.” Het is nooit een hele menigte die geweld gebruikt, benadrukt Adang. „Zelfs in een geëscaleerde situatie doet maar een heel kleine groep mee. Tien procent is al heel veel.”

Lees ook over de inzichten van Otto Adang: Wie de eerste steen gooit, test de reactie van de groep
    • Ellen de Bruin