Met trein naar Georgië: na het drukke Westen komt versobering

Treinreis Wie per trein naar Georgië wil reizen kan niet om de Zwarte Zee heen. Maar je kunt er gelukkig ook dwars doorheen, met een ferry voor vrachtverkeer. „De afvaart is een dag vertraagd. Een reden wordt niet gegeven.”

Vanaf de Zwarte Zee gezien: de kustlijn van de Krim.
Vanaf de Zwarte Zee gezien: de kustlijn van de Krim. Foto iStock

Onze vakantiebestemming is Georgië. Omdat we Europa voorbij de Alpen niet kennen, besluiten we te reizen over land. Met de trein. Dat kan, zegt de Treinreiswinkel. Met een interrailkaartje kunnen we makkelijk richting het Oosten. Er is echter één knelpunt: de Zwarte Zee.

Bovenlangs gaat de trein door de Oekraïense provincies Donetsk en Loegansk, waar nog steeds wordt gevochten. En zuidelijk, via Turkije, blijkt een deel van het traject in ongerede.

Dan ontdekken we op de kaart een stippellijn over de Zwarte Zee. Tussen Odessa in Oekraïne en Batoemi in Georgië vaart een boot, of beter een roll-on/roll-off-ferry, voor vrachtverkeer. Ook passagiers kunnen mee, meldt website ukrferry.com. De reis duurt vijftig uur, maar de hutten lijken comfortabel, en je krijgt te eten. In de kleine lettertjes staat nog iets over mogelijke vertragingen bij vertrek en aankomst door weersomstandigheden, maar die slaan we over. We boeken meteen voor een overtocht met de stralend wit geverfde Greifswald.

Tien dagen voor die overtocht vertrekken we, vanaf Amsterdam Centraal. Via Oostenrijk, Hongarije, Roemenië en Moldavië. De eerste etappe gaat door Duitsland en de Alpen, met de nachttrein, in een coupé zo groot als een cel, maar wel met ontbijt op bed. Wenen is groots en statig. We fietsen langs de Donau, doorkruisen het centrum, maar kunnen de gemoedelijke sfeer van pleintjes en oude koffiehuizen niet vinden. Drieënhalf uur verderop biedt Boedapest juist een overdaad aan sfeervolle stadsgezichten. We blijven twee nachten, om de wirwar aan straten en modieuze horeca-gelegenheden te doorgronden.

In Roemenië verandert er van alles

Op weg naar Roemenië, is er plotseling iets veranderd. In de trein zijn we nu de enige toeristen. De meeste stoelen blijven onbezet, het landschap is verlaten. Na het drukke Westen begint hier de leegte.

Ook de trein zelf versobert. Eerst verdwijnt de restauratie, dan de airconditioning, en ten slotte het perron. Bij een station stappen de passagiers nu rechtstreeks op het gras.

De reis door Roemenië duurt lang – twee dagen van acht en negen uur – en is minder aantrekkelijk dan de Treinreiswinkel ons had beloofd. De ruige Karpaten blijken een keten van hoge heuvels met dennenbomen, waar de trein zich zuchtend doorheen slingert.

We overnachten in de vrolijke studentenstad Cluj, in Transsylvanië, en daarna in Iasi, ooit de hoofdstad van Roemenië. Het heeft een weinig uitnodigend centrum, met vervallen overheidsgebouwen en door betonrot aangetaste Sovjet-flats. Volgens onze taxichauffeur moeten we minstens een week blijven om alle bezienswaardigheden te zien. Ik vind drie uur genoeg.

Uitzicht op de Karpaten, de Oost-Europese bergketen. Foto Getty Images

Aan de grenzen is het uren stilstaan

Terwijl Oost-Europa voorbijrolt, groeit ons besef van niet alleen de afmetingen, maar ook de variatie in sfeer en stijl van de landen. Anders dan in het Westen hebben grenzen hier nog betekenis – alleen al omdat we voor en na elke grens een uur stilstaan voor controles. Iedere dag komen we in een ander land, met een andere cultuur, andere taal en valuta.

De grensovergang naar Moldavië – tot dan alleen bekend van Kuifje en jongensband Ozone (‘Ma-ia-hii!’) – is grimmig. Wij krijgen kortweg de vraag of we drugs of wapens bij ons hebben, maar een paar soldaten, van wie de koffers minutieus worden doorzocht, worden de trein uitgezet. Daarna blijkt het land verrassend uitgestrekt, met gele, duinachtige heuvels. We kunnen het goed bekijken, want de trein gaat zo langzaam dat je er naast zou kunnen hollen.

Na een plat en onopwindend Oekraïne arriveren we, na 2.500 kilometer rails, bij het eindpunt van onze treinreis. Odessa, de havenstad in de noordwestelijke oksel van de Zwarte Zee, wordt de grootste verrassing van het traject. Prachtige gebouwen in art nouveau, jugendstil en classicistische stijl staan langs een glooiend grid van bolle straten en boomrijke lanen. Er zijn levendige parken, terrassen in alle maten en drukbezochte stranden aan de Zwarte Zee, ook nu, in het najaar.

We bezoeken een ruige markthal waar net een pallet met varkenskoppen wordt binnengedragen. Hier slaan we extra levensmiddelen in voor onze zeereis – komkommer, kaas, paprika’s. ’s Avonds ontvangen we een mail van ukrferry.com dat de afvaart een dag vertraagd is. Een reden wordt niet gegeven. We prijzen ons gelukkig dat dit in Odessa gebeurt en niet in Iasi, en wandelen een dag langer langs de brede straten met kinderhoofdjes en platanen.

Eindelijk gaan we de Zwarte Zee op

Dan mogen we inschepen – wat een hele dag duurt. Terwijl wij wachten op visa en paspoortcontroles, vult de tweehonderd meter lange Greifswald zich met tientallen vrachtwagens en complete treinen, die straks in Batoemi de wal op zullen rijden om vanaf daar hun groenten, hout en bevroren kippen te distribueren. De ferry vaart het hele jaar, horen we, ook in de winter. Dan ligt er weliswaar geen ijs op de Zwarte Zee, maar de weersomstandigheden kunnen ruig zijn. Dat leidt soms tot vertraging voor de turbulentiegevoelige ferry.

Het zijn voornamelijk Oekraïense en Russische treinmachinisten en vrachtwagenchauffeurs, die zich aan het eind van de middag bij de purser melden voor de sleutel van hun hut. Maar er zijn ook enkele reizigers zoals wij, te herkennen aan hun rugzakken. Het is een avontuurlijk groepje: een Duits stel is komen fietsen uit Beieren, een Poolse jongen kwam liftend. De 41-jarige Holger uit Berlijn gaf een jaar geleden zijn baan als apotheker op, en zwierf sindsdien met een koffertje door Oost-Europa.

Als we ’s avonds de haven uitvaren, is de kennismakings-wodkaparty al begonnen. Samen met de Duitsers en een groepje chauffeurs staan we op het dek, waar gerookt mag worden. We leren dat je je glas met zelfgestookte wodka in één slok leegdrinkt en er meteen een stuk worst achteraan eet. De vrachtwagenchauffeurs omhelzen elkaar, slaan op schouders en tillen elkaar op. Sasha, Sasha en Wladimir vertellen enthousiaste maar onverstaanbare verhalen, uitmondend in nog meer schouderslaan.

De volgende dag is de eerste echte zeedag. Er is geen bereik, geen internet en, afgezien van een klein stukje Krim, geen uitzicht op land. Er is alleen een eindeloze vlakte van peilloos diep, zwart water.

We brengen de tijd door met rondhangen en staren naar de golven. Het Duitse stel doet een work-out op het dek, de jonge Pool trekt zich op aan een reling.

De routine is: eten, staren, eten

De hutten hebben een warme douche, gebloemd bankstel, en, vooral belangrijk, een raam. De meegebrachte crackers en paprika’s blijken overbodig; in het restaurant krijgen we driemaal daags, volgens een strikt tijdsschema, een verse maaltijd. Twee kokkinnen serveren havermoutpap en omelet als ontbijt, een warme lunch en diner, bestaand uit soep en grote borden vol vlees of kip, pasta of aardappels.

Aan de witgedekte tafels heeft iedereen een vaste plaats: chauffeurs bij chauffeurs, reizigers bij reizigers. Wij zitten bij de Duitsers, met wie we uitgebreid natafelen en hun uit Moldavië meegebrachte wijn drinken.

Terwijl het bootleven zijn routine krijgt (eten, staren, eten), is er na twee etmalen plotseling opwinding: land in zicht! Daar ligt Batoemi, de moderne Georgische badplaats, zilverachtig te glinsteren in het avondlicht. Na 1.050 zeekilometers zijn we aangekomen.

Maar even later, tijdens wat de laatste maaltijd zou zijn, komt de purser vertellen dat we niet vanavond maar morgenochtend in Batoemi zullen aanleggen. Een reden noemt hij niet. Er is waarschijnlijk sprake van een gevaarlijke onderstroming die manoeuvreren onmogelijk maakt, denkt een van de chauffeurs. Gebeurt wel vaker.

Ook de volgende dag liggen we nog stil voor de kust. We eten ’s middags weer warm, nog steeds geen nieuws over onze aankomst. Pas tegen vijven, bijna een dag later dan gepland, arriveert een klein bootje met een loods, die aan boord stapt en ons soepel de haven binnen laat varen.

We hangen de rugzakken weer om, stappen aan wal en nemen afscheid van onze vrienden. Het was een avontuur, zeggen ze, een langzaam avontuur.

Acht dagen en vele kronkelige bergwegen, auberginerolletjes met walnootsaus en glazen amberwijn later gaan we per vliegtuig terug naar Nederland.

We zijn in vier uur thuis.