Foto Frank Ruiter

Warner Prevoo is dokter én patiënt: ‘Wij artsen zijn narcisten’

Lunchinterview Warner Prevoo (55) behandelt als interventie-radioloog patiënten met kanker, zelf heeft hij longkanker. „Wisselen tussen dokter en patiënt zijn, is niet makkelijk. Niet voor mij, en niet voor mijn collega’s.”

Een zieke dokter is een akelig soort paradox. Een arts trekt een witte jas aan en is onsterfelijk, dat was het idee. In de spreekkamer gaat het over hem noch zijn lichaam, hij – of zij – is de alwetende die de patiënt van zijn ziekte verlost. Een zieke dokter brengt de rolverdeling in de war, dat zeker. Maar zijn rol verandert ook. Is de dokter, nu hij ondervindt wat ziekte is, een ándere dokter? Een betere misschien?

Warner Prevoo (55) is dokter en patiënt, zoon en vader, vriend en verlatene. En al die rollen worden inmiddels behoorlijk overschaduwd door zijn ziekte. Hij heeft longkanker. Ruim twee jaar geleden, toen hij in zijn ‘eigen’ Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam even een scannetje liet maken wegens een aanhoudend kuchje, leken zijn dagen geteld. De longkankerspecialist, zijn directe collega, hoefde hem niet uit te leggen dat bij ‘longcarcinoom stadium vier’ genezing vrijwel uitgesloten is. Hooguit een beetje „op de rem trappen”, wat palliatieve zorg en dat was het dan. Een jaar, twee jaar misschien, de statistieken kende hij uit zijn hoofd; na vijf jaar leeft nog 2 procent van de patiënten met dit type kanker.

Kanker is zijn vak, schrijft Warner Prevoo in zijn boek Echte dokters huilen ook. Als interventie-radioloog keek hij zestien jaar „het monster dat kanker heet in de bek”. Nu is het zijn lot. Dat hij in levende lijve bij zijn stamcafé Gruter aan de chaithee zit, komt doordat de tumor in zijn linkerlongkwab niet ontstaan is door roken – wat hij ooit deed – maar door een genetische mutatie (EGFR+ mutatie). En daar zijn wél medicijnen tegen. Genezen doen die pillen niet, maar ze remmen de groei van kankercellen. Hij behoort tot de 10 procent gelukkigen wier levensverwachting kan worden opgerekt.

Nog voor ik kan bedenken dat hij er nogal goed uitziet, prikt hij de illusie door. „Van binnen ben ik helemaal kapot aan het gaan.” Er is een stuk long verwijderd en de afgelopen maanden is hij 24 keer bestraald. De tumor – die even helemaal weg was – had toch de kop weer opgestoken. Hij maakt met zijn hand een kommetje over zijn rechteroog. Koppijn, zegt hij. Al drie weken. Zijn neuroloog denkt niet aan uitzaaiingen. Hij wel. Straks, na de lunch, fietst hij naar het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis voor een hersenscan. Hij werkt daar niet meer – hij is gedetacheerd bij een ander ziekenhuis – en eigenlijk vindt hij dat wel zo overzichtelijk. „Wisselen tussen dokter en patiënt zijn, is voor niemand makkelijk. Niet voor mij, maar ook niet voor de artsen die eigenlijk mijn vrienden zijn. Prima, natuurlijk doen ze even een testje voor me. Maar zij liggen er ook wakker van als de uitslag slecht is.”

Weer aan het werk gegaan

Een half jaar na zijn aanvankelijke diagnose is hij weer aan het werk gegaan. En ook na zijn recente operatie was hij vrijwel meteen weer terug op zijn post in het ziekenhuis. „Dokter zijn, is wie ik ben.” Om uit te leggen wat een interventie-radioloog is, heeft hij pen en papier nodig. Hij tekent een lever, nieren, longen. Eromheen kronkelende lijnen, de bloedvaten. „Daar navigeren we doorheen met onze katheters.” Zo kan hij inoperabele tumoren weg koken (ableren heet dat), of chemotherapie verpakt in minuscule bolletjes afleveren op exact de juiste plek. „Precisiewerk”, zegt hij. En, zonder met zijn ogen te knipperen. „Ik ben er heel goed in. Om niet te zeggen: een van de besten.”

Kanker sloopt langzaam. Niet alleen jou, maar het hele systeem om je heen gaat aan gort.

Grote grijns. Jaja, knikt hij. „Ik ben nogal een baasje.” Grote bek, altijd gehad. Is wel nodig ook. Zijn vak wordt gewantrouwd door chirurgen én radiologen. „Chirurgen vinden dat alleen zij kunnen opereren. Radiologen kijken plaatjes en komen verder niet aan of in het lichaam van patiënten.” Hij wel, en daarom vindt hij dat hij zijn patiënten moet zien voor en na een interventie – operatie mag hij het officieel niet noemen. En hoe reageren patiënten als ze weten dat hij ook kanker heeft? „Dat liep op een gegeven moment de spuigaten uit. Elk consult ging ineens over mij. ‘Hoe voelt u zich?’ ‘Hebt u ook zo’n last van de bijwerkingen?’ Heel lief bedoeld allemaal. Maar in mijn spreekkamer ben ik dokter, geen patiënt.”

In het jaar van zijn diagnose, 2016, bleek ook zijn vader ziek. Ook longkanker, maar hij had de rokersvariant, zonder ooit gerookt te hebben. „Mijn eerste impuls was hem snel naar mijn ziekenhuis te halen, om hem bij de allerbeste collega’s onder te brengen.” Zijn vader, die aanvankelijk betere vooruitzichten had dan hij, is begin dit jaar overleden. Zijn dood is een heel teer punt voor Warner Prevoo. Hij begraaft zijn gezicht in beide handen en excuseert zich meteen. De scan straks, zegt hij. Die maakt hem wat labiel. Ik zeg dat ik het snap. Of nou ja, misschien eigenlijk helemaal niet. Hij, ineens enthousiast: „Dát is het verschil. Een arts zegt: ik snap het. Hij bedoelt: ik heb de expertise, ik weet hoe ik u kan behandelen. Verder snapt hij geen reet van wat die ziekte aanricht.”

De arts ziet het lijden niet

Wat hem dwars zat aan het sterfbed van zijn vader: „Ik heb niet ingegrepen.” Als dokter of als zoon? Hij antwoordt niet. „Ik ken mijn vader, ik ken mezelf. Hij ontkende zijn ziekte. Hij deed zich stoerder voor dan hij was.” Uitzaaiingen in zijn botten bezorgden zijn vader ondraaglijke pijn. „Ik heb wel zijn pijnstilling opgehoogd.” Maar? „Ik had het nooit zover mogen laten komen.” Hij was toch niet zijn behandelend arts? „Nee, maar die pijn had ik hem moeten besparen.” Hoe dan? „Door te zeggen: pap, stop met de behandeling, die gaat toch niet meer werken. Neem afscheid. Bereid je voor op de dood.”

Hij verwijt niemand iets, zegt hij. „Ik observeer alleen.” En wat ziet hij? „Wij artsen zijn narcisten. We willen, ter meerdere glorie van onszelf, repareren, beter maken, genezen.” Hij is daarvan teruggekomen. „Een patiënt grijpt elke strohalm aan. En wij dokters hebben altijd nog wel een experimentele behandeling op de plank liggen.” Hij heeft onlangs een bioptie ondergaan, waarbij een klein beetje longweefsel is weggehaald. „Verschrikkelijk.” De pijn? „Alleen al op de tafel liggen. ‘Meneer Prevoo, we nemen nu een hapje van uw long, u kunt dit een beetje voelen’. De overgave, de afhankelijkheid. Kijk, ik werk altijd heel snel en pijnloos, maar je zult een hark als dokter treffen.” Wat wil hij daarmee zeggen? „Dat het onmenselijk is om zoiets elke maand te moeten doorstaan. En dat moet, als je meedoet aan een wetenschappelijke studie. Voor wetenschappers zijn patiënten een database. Maar de patiënt betaalt een hoge prijs voor dat kleine beetje hoop.” Hij raadt zijn patiënten aan twee keer na te denken voor ze meedoen aan een studie.

Wat hij nu weet: „Kanker sloopt langzaam. Niet alleen jou, maar het hele systeem om je heen gaat aan gort.” Als hij zichzelf even als maatstaf neemt; zijn moeder, zijn twee jongere broers, zijn ex, zijn kind, zijn vader op z’n sterfbed, zijn vrienden, collega’s. „Iedereen is na elk slechtnieuwsgesprek compleet over de rooie.” Het lijden, maar ook de dood voltrekt zich meestal buiten het zicht van artsen. Patiënten overlijden in een hospice, of thuis. „Een ervaren arts weet wanneer hij moet stoppen.”

Glashelder tegen zieke patiënten

Tegenwoordig is hij glashelder tegen zijn ernstig zieke patiënten: „Ik vertel ze dat ze dood zullen gaan, dat ik zal proberen de ziekte te remmen, maar dat ik niet ga rekken.” Weet hij wanneer het voor hem over en klaar is? „Als iemand m’n kont moet wassen, hoeft het van mij niet meer.” Zo’n einde als zijn vader had, zo afgemat en uitgemergeld, dat wil hij zijn zoon niet aandoen. Zijn zoon, Yno van 21, studeert medicijnen. „Ik heb het hem afgeraden. Het is een fantastisch vak, maar het vergt grote offers.” Zijn beroep ging ten koste van de liefde (hij is gescheiden), een gezin (hij had graag meer kinderen gewild), en misschien wel van zijn gezondheid (werkweken van 60 uur of meer). „Dat hij dokter wil worden, hangt ongetwijfeld samen met mijn ziekte. Hij wil niet machteloos toekijken, hij wil wat kunnen dóén.”

Lees ook: Het lunchgesprek met Floor van Liemt, die ook door een gendefect longkanker kreeg, op haar twintigste.

Inmiddels hangt hij half over tafel om zich verstaanbaar te maken. Zijn stem is hees. Een „onbegrepen bij-effect” van zijn ziekte. „Heel vervelend. Praten is mijn hobby.” Maar er zijn genoeg vrouwen, hint hij, die het reuze sexy vinden. Zijn stem? „Dat ook. Een zieke man is blijkbaar heel aantrekkelijk.” Hij zegt dat hij een player is, of liever: was. „Drie keer uit eten, vier keer seks en dan kostte het me nog een half jaar om zo’n relatie netjes af te ronden. De vaste vriendin die hij had ten tijde van zijn diagnose – vijftien jaar jonger dan hij – is bij hem weggegaan. Sinds een maand of drie is hij „ontscharreld”. „Meer dan ooit heb ik iemand nodig die blijft.” Hij wuift de ober, hij kent hem bij naam, en vraagt nog een thee. Jasmijnthee. Kijkt dan op zijn horloge. Vloekt geschrokken. Het is al tien over half drie. Om drie uur moet hij in het ziekenhuis zijn voor de scan. Jas aan, muts op, hollen naar huis – hij woont om de hoek. Even later zie ik hem vanuit het raam hard voorbijfietsen.

    • Rinskje Koelewijn