Van het ene naar het andere contract

Werken in de wetenschap 40 procent van de universitaire docenten moet steeds op zoek naar een nieuwe baan. Kind en hypotheek worden uitgesteld.

Paola Gori Giorgi, hoogleraar, werkt met alleen maar tijdelijke mensen.
Paola Gori Giorgi, hoogleraar, werkt met alleen maar tijdelijke mensen. Foto’s Merlijn Doomernik

In één jaar college geven in vier verschillende steden. Carlo Ierna, specialist in de negentiende-eeuwse denker Franz Brentano, is het gewend. Hij geeft logica en taalfilosofie in Leiden, geschiedenis van de moderne filosofie in Nijmegen en Utrecht, en volgend jaar moderne filosofie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Contracten van twee maanden tot twee jaar, telkens opnieuw. Hij moet wel, hij heeft een gezin en een hypotheek. Hij krijgt hetzelfde als een docent in vaste dienst maar het onderzoek, waar hij bekend om is, moet hij er „gratis” bij doen.

Vrijdag demonstreerden 1.000 universitaire docenten en hoogleraren in Den Haag onder de naam #woinactie . Volgens cijfers van de Vereniging van Universiteiten (VSNU) zwerft veertig procent van het wetenschappelijk personeel van tijdelijk contract naar tijdelijk contract.

„In mijn groep werken alleen maar tijdelijke mensen ”, zegt de bij actie betrokken Paola Gori Giorgi, hoogleraar theoretische en mathematische chemie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Ze zegt: „Elke twee, drie jaar moet ik opnieuw uitleggen hoe het onderwijs en het onderzoek moeten worden gedaan. Mensen moeten na vijf jaar een pauze van zes maanden nemen en komen daarna weer terug, anders zouden ze een vast contract krijgen en dat wil de universiteit niet. Deze mensen zijn cruciaal voor het onderzoek en het onderwijs. De overheid zou een minimum van 80 procent vaste contracten moeten vastleggen.”

Het aantal burn-outs is hoog. „Mensen kunnen niet permanent tijdelijk werken”, zegt Gori Giorgi. „Ze willen ook een huis kopen en kinderen krijgen. Ze willen zekerheid.” Al houden vaste contracten ook een risico in, erkent ze. Het geld voor onderzoek is tijdelijk en een faculteit kan zomaar zonder fondsen komen te zitten. Sinds 2011 heeft Gori Giorgi twee reorganisaties meegemaakt, waarbij veel collega’s werden ontslagen.

Generatiekwestie

Tijdelijk maakt onzeker, daarom wil een docente aan de Universiteit van Amsterdam haar naam niet geven. Dat kan hinderen bij volgende sollicitaties, zegt ze: „Er zijn veel collega’s in een dergelijke positie met drie tot vier aanstellingen om van te kunnen leven. Omdat het contract zo precair is, wil je een voet tussen elke deur hebben. Dat is niet erg gezond.” Het laatste trimester had ze geen vrije tijd. Een gezin kan ze vergeten, zegt ze, omdat het volgende contract ook in het buitenland kan zijn.

De contracten van dit universitaire precariaat (combinatie van ‘precair’ en ‘proletariaat’) kunnen van een maand tot vijf jaar duren. Om kans te maken op een vaste aanstelling, moeten ze daar nog vaak onbetaald onderzoek bij doen. Dat gebeurt dan ’s avonds of in het weekeinde. Overigens blijkt uit onderzoek van het Rathenau instituut dat hoogleraren en docenten in vaste dienst het meeste overwerken (ruim een kwart tot 45 procent van hun aanstelling).

Aangezien tijdelijke docenten telkens opnieuw moeten solliciteren, durven ze zich vaak niet te laten horen, uit angst voor de consequenties. Vandaar dat de universitaire docenten moeilijker zijn te mobiliseren dan leraren. „Ze gaan niet gemakkelijk de straat op”, zegt Gori Giorgi, die dat in haar geboorteland Italië anders gewend is.

Niet vaker in vaste dienst

Hoewel universiteiten hebben beloofd dat ze meer mensen in vaste dienst zouden nemen, is dat niet gebeurd. „We willen zeker weten dat het beloofde overheidsgeld ook komt. Daar is vaak niet zoveel zicht op”, zei Kristel Baele, voorzitter van het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam, eerder in een interview met NRC. Er staat in de begroting voor hoger onderwijs voor de komende jaren al een ‘doelmatigheidskorting’ van 183 miljoen euro en een bezuiniging van 19,5 miljoen. Nieuwe bezuinigingen zijn niet uitgesloten. Intussen blijft het aantal universitaire studenten groeien, dit jaar weer met vijf procent – vooral door de instroom uit het buitenland. En dat terwijl de gemiddelde overheidsbijdrage per student al jaren zakt.

Collegezalen voor eerstejaars in universiteiten zitten bomvol. Dat betekent veel meer werk voor docenten.

Universiteiten potten te veel geld op, berekende Tweede Kamerlid Paul van Meenen (D66) zelf. Bijna drie miljard euro in totaal. In die cijfers zitten ook de universitaire gebouwen. Van Meenen vindt dat die gebouwen door commerciële partijen moeten worden verhuurd en beheerd. Dat zou volgens hem geld schelen.

De docenten zelf kijken voortdurend om zich heen, naar een beter contract. Universitair docent taalkunde Tom Lentz, kreeg na jaren via uitzendbureaus te hebben gedoceerd, een benoeming van drie jaar in München. Hij vertrok na ruim anderhalf jaar, omdat hij aan de Universiteit van Amsterdam een contract van vier jaar kon krijgen. Een buitenkansje.

Lentz heeft goede hoop dat hij langer mag blijven. Zijn vak is verwant aan kunstmatige intelligentie en het aantal studenten daarvoor groeit jaarlijks. Dat betekent meer werk. Misschien zit er wel een vaste aanstelling voor hem in, zo hoopt hij, al kun je dat met fluctuerende aantallen studenten en wisselende onderzoeksprojecten nooit van tevoren weten.

Lentz houdt van zijn vak. Hij onderzoekt hoe tongbewegingen en kaakbewegingen bij taalgebruik in een neuraal computernetwerk kunnen worden nagebootst. Als daar niet langer geld voor is, maakt hij grote kans op werk in het bedrijfsleven, dat graag mensen als Lentz in dienst heeft.