Panvis

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 9: ‘Een vis beduvelen voelt niet meer sportief.’

Na de vorige aflevering ontstonden bij heel wat lezers zorgen: „Ga je nu ineens stoppen met vissen?!” Alsof ik als een soort Paulus, op weg naar Damascus, getroffen door een flits en stem uit de hemel, van m’n paard viel en mij op slag bekeerde tot de leer van mijn vijand Christus. Nu, ik heb best sympathie voor bekeerlingen, maar nee hoor, niet getreurd, beste lezer, ik blijf vissen tot ik erbij neerval. Tot ik van een rots de zee in donder. Ooit droomde ik dat ik als Poseidon over de zeeën heerste, dus dat zit wel snor.

Maar inderdaad, Balcombe’s boek (Het geheime leven van vissen) schudde de boel flink wakker. Echter, zijn dreun voelde als een duw in de richting die ik al op liep: minder pleziervissen, meer panvissen. Immers: mijn plezier = nachtmerrie voor vis. Dit klopt niet. Is niet in de haak.

En daarom, vervroegd, verklaar ik met mijn hand op ’t hart: ik las een moratorium in op het pleziervissen. Kus of geen kus. Dus visje vangen, kiekje maken, visje terugzetten, dat doe ik niet meer. De kunst om een vis te beduvelen en nodeloos te kwellen, ik vind het niet meer zo bijster ‘sportief’. Voortaan zal mijn uitgeworpen lijn maar één doel najagen: vis haken voor de pan. Zo ging dat vroeger en zo hoort dat. De man op jacht, komt thuis met een trofee. Een prooi die vrouw en kind voedt. Zo staat het in de sterren, zo is de natuur en de natuur liegt nooit.

Ziezo, dat lucht op. Geeft ook meteen rust aan m’n kop. Want al die fraaie Hollandse sloten, vijvers, rivieren, kanalen, die ik nooit kon passeren zonder mij meteen op de aarde te storten op zoek naar wormen, die hoop ik voortaan rustig gade te slaan. Want zoetwatervis dorst ik niet op m’n bord. Mij te grondig. Ik ken ze wel hoor, vissers die watertandend baarzen en voorns roosteren, die spiegelkarpers met tomaat stoven en barbeel in een saus van wijn, ui en laurier opdienen. Maar nee, geef mij maar dat ziltfrisse aroma van het ruime sop. Bovendien, rivierlozingen van chemiebedrijven als DuPont blijken bepaald geen ambrozijn.

Natuurlijk zal ik voor een kloeke snoekbaars uit de Westerschelde m’n hand niet omdraaien, en natuurlijk hoop ik nog eens in ’t Haringvliet, zeker nu sinds kort de sluizen op een kier staan, een mooie forel of zalm te strikken, maar mijn pijlen zijn voortaan hoofdzakelijk gericht op de zee. Ik zal mijn dobbers missen.

PS. Wat doe ik nu met mijn enorme verzameling roof- en witvismaterieel? Spin-, telescoop-, feeder- en bamboehengels, en alle bijbehorende marteltuig. Gewoon bewaren? Kringloopwinkel? Marktplaats? Of misschien zijn er lezers zijn die nu denken, ‘dat spul van Benzakour, dat kan postuum op de veiling nog best een duit opleveren’.

Het staat u vrij een aannemelijk bod te doen.

    • Mohammed Benzakour