Recensie

Recensie Boeken

Met ‘Grand Hotel Europa’ schreef Pfeijffer de roman van het jaar

Ilja Leonard Pfeijffer Met Grand Hotel Europa schreef Pfeijffer de roman van het jaar. Een grootse satire over alles: van destructief massatoerisme tot de uitverkoop van de Europese cultuur.

Venetië onder water
Venetië onder water Foto Luca Bruno/AP
    • Thomas de Veen

Was het maar een grap. Cartoonvogels Fokke & Sukke tooiden zich onlangs met de onvermijdelijke zwart-rode mutsen uit elke Amsterdamse souvenirwinkel. Voor hun snavels werden de grote rode plastic letters ‘am’ weggetakeld. Fokke: ‘Hè?!’ Sukke: ‘Zijn we helemaal voor niets naar Amsterdam gekomen!!’

Een grap, maar de werkelijkheid bleek even absurd. Nadat de letters ‘I Amsterdam’ – iconisch volgens toeristen maar gewraakt door het stadsbestuur – weggevoerd waren van het Museumplein, nam stadszender AT5 poolshoogte. Uit toeristenmonden klonk desillusie: „Ze zijn enorm beroemd, we zijn hier speciaal voor naartoe gekomen.” En: „Waar we nu selfies moeten nemen? Ik weet het even niet.” Je kon ze de volgende dagen aanschouwen: verweesde toeristen die op dé trekpleister van het Museumplein afgekomen waren, maar het voor het decor van hun selfies moesten stellen met een of ander oud gebouw. (U weet wel, het Rijksmuseum.) Niet leuk! (Geen grap.)

Bekijk – zeer meta! – foto’s van de selfies-makende toeristen bij de nu verdwenen I Amsterdam-letters.

Wat toont deze anekdote? Iets over toerisme? De infantilisering en debilisering van de hedendaagse Amsterdam-toerist? De vulgarisering van het toerisme dankzij goedkope vliegtickets en Airbnb, de opkomst der horden? De pretparkisering van de stedelijke ruimte, de opwaardering van nep, de uitverkoop van de hoogwaardige traditie? Een uitvloeisel van marktwerking en onstuitbaar kapitalisme? De achterhaalde strijd tegen de commercialiserende kaalslag van de citymarketing? Een bevestiging van cultuurpessimistische vermoedens? Het einde van de elite? Van de kunst, de waardering van schoonheid? Van de ironie, de humor? Misschien wel de ondergang van Europa?

Vroeg je het aan schrijver Ilja Leonard Pfeijffer (1968), zei hij vast op al die opties ja – en hij zou nog wel even kunnen doorgaan. Het relletje rond ‘de letters’ had naadloos gepast in zijn deze week verschenen, grote roman Grand Hotel Europa. De roman gaat allereerst over toerisme, maar mondt uit in de teloorgang van alles wat Europa Europa maakt.

Chinese investeerder

Wat een diagnose lijkt, blijkt steeds symptoom van een omvattender kwaal, tot het verhaal is uitgegroeid tot een roman over de prangendste culturele kwesties van deze tijd – hij raakt aan alles wat ik hierboven opsomde. Grand Hotel Europa deinst nergens voor terug, wil imponeren en imponeert. Het is die grote-grotere-grootste greep die de roman tot een verbluffend meesterstuk maakt. Het is bovendien een heerlijk boek, dat je leest met een gretigheid die almaar koortsachtiger wordt. Pfeijffer ving de tijdgeest en dient hem hier onweerstaanbaar op. Hij heeft de roman van het jaar geschreven.

Het verhaal begint met de aankomst van onze verteller, een schrijver genaamd Ilja Leonard Pfeijffer, in het hotel dat de naam van de roman draagt. Het is een luisterrijk oord, ergens in een ongenaakbaar woud, met een piccolo met migratieachtergrond, vaste gasten die evenzeer personages als metaforen zijn, een manager die zich majordomus laat noemen. Alles is er een reliek van vergane glorie, het is een plek die dolgraag naar het sanatorium uit Thomas Manns De toverberg wil verwijzen – en ondertussen klopt er een Chinese investeerder op de deur.

Europa, schrijft Pfeiffer, heeft slechts toekomst als ‘recreatiegebied voor de rest van de wereld’.

De schrijver betrekt er een kamer, nadat zijn relatie met kunsthistorica Clio op de klippen is gelopen. Hij zal daar doen wat hij kan: zijn verhaal, hun verhaal, op schrift stellen. Hij weet dan al: ‘De liefde van mijn leven leeft in mijn verleden.’ Een kernzin is dat, de centrale these van Grand Hotel Europa – eentje die op allerlei manieren uitgewerkt en onderbouwd wordt. Want die achtervolging door het verleden is net het probleem van Europa. ‘Ik wil niet net als het hotel waar ik verblijf en het continent waarnaar het is vernoemd tot de conclusie komen dat de beste tijd achter mij ligt en dat ik van de toekomst weinig meer te verwachten heb dan teren op mijn verleden’, schrijft Pfeijffer, niet zonder reden.

Toerisme

Tien jaar geleden bleef Ilja Leonard Pfeijffer plakken in Genua. ‘Ik ben een ander mens geworden’, zegt hij in dit interview. Lees ook: ‘Genua is geen pleaser’

Het verhaal van Ilja en Clio is van start gegaan in Venetië, waar zij een nieuwe baan kreeg en de twee heen verhuisden. Waarmee ze dus vertrokken uit Genua. Die stad, Pfeijffers domicilie, vereeuwigde hij in zijn roman La Superba (Libris Literatuurprijs 2014). De nieuwe rol voor Venetië betekent niet dat hij de Genua-roman dunnetjes overdoet; deze stad is nu eenmaal de zuiverste ondersteuning van Pfeijffers these: een stad die zijn ziel verkocht heeft aan het toerisme. Venetië is alléén nog maar verleden. Het is een spookstad volgepropt met visite, die komt kijken naar de gecultiveerde, versteende geschiedenis. Het dagelijks leven is eruit geperst door de toeristendrommen die de steegjes en waterwegen constiperen – ik parafraseer (je gaat vanzelf een beetje pfeijfferiaans formuleren van zo’n roman).

‘Wat Europa de wereld te bieden heeft, is zijn verleden’, schrijft Pfeijffer, en overtuigend bouwt hij de makke van Venetië uit tot een metafoor voor heel het continent, dat slechts toekomst heeft als ‘recreatiegebied voor de rest van de wereld’. Maar, zoals de dialoog waarin deze wijsheden ter tafel komen afsluit: ‘De vraag is of dat erg is.’ Het zégt in elk geval veel over waarmee Europa zich onderscheidt. Traditie is heilig. ‘Deze voortdurende, obsessieve drang om te pas en te onpas dode geesten uit het verleden op te roepen en alles wat we zien, denken en zijn te relateren aan de traditie, is het DNA van Europa.’ Dat zit ook in de levende dragers van de cultuur, de schrijvers. Pfeijffer noteert op een gegeven moment, in nog zo’n pronte zin: ‘Ik wilde aan Homerus, Vergilius en Dante denken in plaats van aan een bos wanneer ik een bos zag, want de traditie geeft een betekenis aan de bomen die de stomme bomen ondanks al hun geblader voor zichzelf niet kunnen verzinnen.’

Foto Manuel Silvestri/Reuters

Grand Hotel Europa komt tot dusver mogelijk over als een prekerig, essayistisch vehikel. Zo ervaar je het niet. Allerminst. Het verhaal wervelt alle kanten op en wat Pfeijffer aan de kaak wil stellen over toerisme en traditie, neemt dikwijls de vorm aan van de smeuïgst denkbare satire. De roman waaiert uit van Venetië naar Skopje, een stad vol nepmonumenten (invented tradition!) die de nationale identiteit moeten definiëren. Naar Amsterdam ook, waar een wethouder briest over Airbnb, maar ondertussen toeristenmassa’s over heel Nederland wil verspreiden, zodat ze daar hun sprinkhanige destructiedrang kunnen botvieren. Naar Giethoorn, waar twee stellen van reisfanatiekelingen elkaar overtroeven (zeer grappig, à la de ‘Four Yorkshiremen’ van Monty Python) in hun authentieke reizigerschap. Maar ook naar Afrika, waar het opmerkelijk epische migratieverhaal van de piccolo Abdul begint. En er is de verhaallijn over de jacht die Clio en Pfeijffer maken op een onontdekt schilderij van Caravaggio. Dat groeit uit tot een rode draad met Dan Brown-achtige kwaliteiten, zowel meeslepend als hondsingewikkeld, waardoor er een heuse kunsthistorische spektakeldetective in de roman huist.

De toverberg

Het is veel, maar verveelt geen moment. Bovendien voorkomt Pfeijffers stijl alle langdradigheid. Zijn zinnen zijn, zoals altijd, gloedvol, klinkend, ronkend. Nooit zuinig, altijd vurig. Zowel soepel als uit en te na uitgekiend en doordacht.

Niettemin kun je over deze roman volhouden dat informatie en analyse er de hoofdmoot van vormen – de hedendaagse werkelijkheid is in alles aanwezig. Er wordt daarover uitvoerig georeerd en gefulmineerd, het is een boek dat je zeker niet in de laatste plaats leest omdat je er wat van opsteekt. In die zin verwijst het naar De toverberg – zo leende Pfeijffer van Mann de redevoeringen in dialoogvorm. Dat komt op stoom door Clio, die het conservatieve, corrupte en gemakzuchtige Italië doodverklaart. Waarna de schrijver zichzelf misschien wel ten dode opschrijft, door erop te reageren met een schamel, banaal: ‘Ik vind je mooi.’

Want essayistisch mag Pfeijffer van het begin af aan het onderste uit de kan halen, wat op zich laat wachten is enige zelfreflectie van de hoofdpersoon. Diens relatie is toch niet zomaar stukgelopen? Terwijl alles ineenstort laat hij zich nog onbedreigd het centrum van het universum zijn – de protagonist van Grand Hotel Europa kan zijn op tradities gestoelde schrijfpraktijk én zijn klassiek masculiene karakter gewoon in stand houden. Denkt hij. Maar dat gaat wringen. Sommige van zijn waarnemingen lijken puur omwille van het seksisme beschreven, zoals wanneer hij Clio beziet in een los vallend T-shirt, ‘waarin haar zachte, blote tietjes zwommen als blote tietjes in een gelukkige, warme zee in de zomer’. Zijn blinde vlek komt het pijnlijkst tot uiting als hij zich in het hotel stort in een bedenkelijke (en gepast vunzig beschreven) onenightstand met een Amerikaans minderjarig meisje. De schrijver gaat aan die episode overigens nog níét ten onder – een cynische knipoog naar de powers that be, ook na #MeToo.

Hollywoodiaans effectbejag

Lees ook NRC Boekenwedstrijd: wat is het beste boek van 2018?

Maar die zelfreflectie komt, zoals alles in de roman zelfbewust wordt doordat de constructie dikwijls naar de oppervlakte getrokken wordt, als een literaire variant op het Centre Pompidou. De traditionele masculiene identiteit wordt vanzelf een thema – en een culminatie van wat al langer in Pfeijffers oeuvre gaande was. Zijn alter ego in La Superba demonteerde zijn poseurschap in een begenadigd spel met nep en echt. In zijn memoires Brieven uit Genua (2016) rekende Pfeijffer nog eens af met de man die hij geworden was, en met het schrijverschap dat zijn bestaansrecht had ontleend aan een onsympathieke en fnuikende identiteit als (alcoholistisch) romanticus. Maar hij zwoer de drank af.

Pfeijffers alter ego in Grand Hotel Europa gaat een stap verder. Zijn gecultiveerde masculiniteit is net zo onaantastbaar als Europa’s glorie – allerminst dus. Integendeel: als hij zo wil blijven, is hij ten dode opgeschreven. Dat hij een egoïst is, zoals Clio hem aanwrijft, ga je als lezer steeds meer beamen. Op een gegeven moment lijdt hun relatie onder zijn seksistische verleden, een prachtige patstelling. Tegelijk maakt Pfeijffer de hard-feministische kritiek – belichaamd door de narrige dichteres Albane, een van de vaste gasten in het hotel – zozeer belachelijk, door Albanes pertinente onverzoenlijkheid te benadrukken, dat die kritiek weer onhoudbaar wordt.

Lees ook het essay dat Pfeijffer vorig jaar voor NRC schreef over Hirsts tentoonstelling.

Hoe komen we daaruit? ‘Voor een cultuur die is vastgelopen in haar verleden, is nostalgie naar oude waarden niet het medicijn, maar de ziekte’, zegt de hoofdpersoon. De traditie terugvorderen is geen optie, maar hem afzweren toch evenmin. Pfeijffer zoekt een uitweg – en dat maakt Grand Hotel Europa extreem een roman van deze tijd. Want daar staan we nu. Zoals Damien Hirst met zijn tentoonstelling Treasures of the Wreck of the Unbelievable de grens tussen kunst en kitsch bevroeg door met de kostbaarste ambachtelijkheid een complete cultuurgeschiedenis te verzinnen en de kunstwereld op te schudden, zo neemt Pfeijffer die visionaire positie over in romanvorm, waarmee hij ook nog zijn ‘favoriete thematiek’ – nep die echt wordt, de pose die niet van oprechtheid te onderscheiden is – naar een nieuw plan tilt.

Zoals Dan Brown de Europese cultuurgeschiedenis adopteerde om het met Hollywoodiaans effectbejag en enigszins kinderachtige middelen op te leuken voor de massa’s, zo doet Pfeijffer hem dat weer na, met zijn guitige Caravaggio-verhaallijn. De vraag is of dat erg is. Onweerstaanbaar is het in elk geval. Zo krijgt Pfeijffer voor elkaar dat het cultuurpessimisme dat je dankzij de ondergang van Europa zou kunnen aanvliegen, niet absoluut is. Er is misschien een toekomst. Deze roman is daar het overtuigendste bewijs voor. Vlak de letters niet uit.