Opinie

    • Ellen Deckwitz

Ketens

Ellen Deckwitz

Vannacht was ik aan de wandel en besefte plotseling dat alles eigenlijk vrij prima gaat. Een tijd geleden incasseerde ik een behoorlijke stomp op mijn hart en door heel braaf te leven – weinig feesten, veel slapen, veel praten, genoeg eten – had ik me enigszins door het verdriet heen weten te slepen. En nu ging het oké. Het was fijn en saai.

Ik stopte bij Artis, keek wat gratis flamingo’s en vanuit het niets was er opeens een flits vol herinneringen aan degene die me had gekwetst. Zijn mooie armen, hoe we verstrengeld lagen, de smaak van zijn huid op mijn tong. De afgelopen maanden strafte ik dit soort flashbacks meteen af door me zijn leeggelopen billen en voorspelbare grapjes voor de geest te halen. Maar nu, terwijl ik in het donker naar een kudde goedbedoelde vogels staarde, kon ik niet ophouden met aan hem te denken.

Een van mijn oudere zelven rammelde aan haar ketens. Iedereen bestaat uit tientallen versies, de meesten veilig weggestopt zodat je er geen last van hebt: je tienerversie, je jaloerse versie, je gelukkige versie. Al die afgelegde persoonlijkheden sluimeren, om op onhandige momenten de kop op te steken. Ze zouden allemaal ontsnappen als ze de kans kregen, het is een van de redenen dat ik zelden drink.

Door het terugblikken vlamde ook een oude honger op. Terwijl ik talloze verboden herinneringen toeliet, realiseerde ik me dat dit een vorm van ontrouw was. Ik had met mezelf immers afgesproken om niet langer bij hem stil te staan. Ik dacht aan die Zomergasten-aflevering met Esther Perel, waarin ze zegt dat de meeste mensen niet vreemdgaan omdat ze per se een nieuwe geliefde willen, maar omdat ze genoeg hebben van zichzelf, de persoon die ze in de relatie zijn geworden.

En misschien was ik deze regelmatige, kalme versie van mezelf wel zat. Was ik er klaar mee om de hele tijd een moedeloze, hongerige versie van mezelf te moeten onderdrukken.

Langzaam sloop ik weg van de roze vogels. Ik probeerde eraan voorbij te gaan dat de beste versie van mezelf niet goed genoeg was. Al doorwandelend bleef ik aan de verdwenen geliefde denken, hoe we lachten en draalden en deelden. Terwijl ik zo druk bezig was mezelf te bedriegen, viel het me opeens op hoeveel feestverlichting er wel niet was. Daar hingen boven mijn hoofd talloze kunstmatige sterrenstelsels in de ijslucht. Zonder problemen, gewoon twinkelend in de nacht, hoopvolle lichtjes, tjokvol antimaterie. En ik dacht aan wat het verschil is tussen bezweren en verwerken. En waarom de in de wind schommelende lichtjes klonken als rammelende ketens.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.