Opinie

Het verschuiven van biljoenen aan klimaatgeld

Gastblog Klimaatfinanciering, rijke landen die betalen voor ontwikkelingslanden, kan een smeermiddel zijn in de onderhandelingen, denkt , onderzoeker bij de Frankfurt School of Finance and Management.

Met een door de Wereldbank gefinancierd project in Liberia worden zonnepanelen gekocht.
Met een door de Wereldbank gefinancierd project in Liberia worden zonnepanelen gekocht. Foto Ahmed Jallanzo/EPA

Wéér klimaatonderhandelingen waarbij klimaatfinanciering een van de belangrijkste thema’s is: geld van industrielanden om ontwikkelingslanden te helpen bij het tegengaan van klimaatverandering en het aanpassen daaraan. Het zijn slopende onderhandelingen die de echte opgave verhullen: het bijsturen van biljoenen in de mondiale financiële sector. Dat ligt echter niet in de hand van de onderhandelaars in Katowice.

Bij de klimaatonderhandelingen in Kopenhagen in 2009 hebben industrielanden beloofd dat ze vanaf 2020 jaarlijks 100 miljard aan klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden gaan mobiliseren. Hiermee wordt de mondiale aanpak van klimaatverandering eerlijker gemaakt. Industrielanden betalen omdat zij rijker zijn en historisch gezien veel meer broeikasgassen hebben uitgestoten. Ontwikkelingslanden ontvangen omdat zij kwetsbaarder zijn voor klimaatverandering, en veel minder broeikasgassen hebben uitgestoten.

Klimaatfinanciering is soms een smeermiddel voor de onderhandelingen. Ontwikkelingslanden zijn bereid verder te gaan als ze weten dat ze hulp krijgen. Het is geen toeval dat Duitsland een week voor de klimaatonderhandelingen bekend heeft gemaakt dat het zijn bijdrage aan het groene klimaatfonds (het zogenoemde GCF) verdubbelt tot 1,5 miljard dollar. Maar klimaatfinanciering wordt ook vaak ingezet als drukmiddel door ontwikkelingslanden, al dan niet terecht.

De uitvoering van het akkoord van Parijs is voor een groot deel afhankelijk van de ambities die landen in hun nationale klimaatplannen (zogenoemde nationally determined contributions, NDC’s) opnemen. Maar liefst 134 landen zeggen hun NDC alleen te kunnen uitvoeren als ze hulp krijgen van industrielanden in de vorm van financiering, technologieoverdracht en/of capaciteitsopbouw. In Parijs is afgesproken dat landen iedere vijf jaar hun NDC-ambities aanscherpen, maar dat wordt dus lastig zonder hulp vanuit industrielanden.

Heikel thema

Bij de onderhandelingen in Katowice is financiering een heikel thema. Tot frustratie van de industrielanden proberen ontwikkelingslanden klimaatfinanciering steeds weer te agenderen. Tot frustratie van de ontwikkelingslanden weten de industrielanden de meeste pogingen te pareren.

Het begon er al mee dat Turkije de opening van de onderhandelingen met enkele uren vertraagde, omdat het vindt dat het ook recht heeft op financiering. Dat is voor de meeste industrie- en ontwikkelingslanden onacceptabel, omdat Turkije daarvoor te rijk is.

Een tweede thema over financiering was artikel 9.5, waarin staat dat industrielanden over toekomstige financiering zullen berichten. Ontwikkelingslanden eisen voorspelbaarheid van financiering, maar industrielanden willen flexibel zijn en wijzen erop dat een democratische regering geen financiële toezeggingen kan doen namens een volgend kabinet.

Een derde thema was dat ontwikkelingslanden een nieuw minimum voor financiering wilden vaststellen. In Parijs is besloten dat er uiterlijk in 2025 een nieuw doel zal worden gesteld, waarbij de eerder genoemde 100 miljard als basis geldt. Industrielanden vinden het daarvoor te vroeg, al leek er wel wat ruimte om de beslissing naar 2023 te tillen.

Zo zijn er nog wel meer voorbeelden. De dagenlange, moeizame onderhandelingen daarover verhullen helaas de echte uitdaging. De 100 miljard op jaarbasis is extreem belangrijk voor ontwikkelingslanden, maar is bij lange na niet genoeg. Het voorkomen van gevaarlijke klimaatverandering vraagt niet om miljarden, maar biljoenen, alleen al in de energiesector. Om aan te passen aan klimaatverandering, komt daar rond 2030 jaarlijks nog 140 tot 300 miljard dollar bij. Hoe minder wij doen om klimaatverandering te voorkomen, hoe duurder aanpassing aan klimaatverandering wordt.

In het akkoord van Parijs staat dat de mondiale geldstromen in lijn moeten worden gebracht met de gestelde doelen om klimaatverandering tegen te gaan en aan te passen aan klimaatverandering. Dat wordt ‘shifting the trillions’ genoemd: het verschuiven van biljoenen. Denk daarbij aan de wereldwijde overheidssubsidies van 5,4 biljoen dollar op fossiele brandstoffen die dringend moeten worden teruggeschroefd. Denk ook aan de wereldwijde divestment-beweging van onder meer verzekeringsmaatschappijen, steden als New York en ook Ierland die voor meer dan 6,24 biljoen dollar aan aandelen in olie-, kolen- en gasindustrie van de hand doen.

Nieuw is dat banken ook beginnen na te denken over de langetermijnrisico’s die zij dragen door de gevolgen van klimaatverandering. Het blijkt een stuk onzekerder of een investering die dit jaar wordt gedaan over dertig jaar nog wel de moeite waard blijkt te zijn.

Er zijn wel mensen uit de financiële wereld die dit thema bespreken in allerlei evenementen die parallel aan de onderhandelingen worden georganiseerd. Maar de onderhandelaars zelf wagen zich er helaas nog niet aan.

Paul Luttikhuis
Blogger

Paul Luttikhuis

Buitenlandredacteur Paul Luttikhuis volgt op dit blog nieuws over klimaatverandering. Hij schrijft over sociale en economische gevolgen, over manieren waarop landen zich daarop voorbereiden, over nieuwe wetenschappelijke inzichten en over de onderhandelingen na ‘Parijs’. Regelmatig zullen gastauteurs hun licht laten schijnen op deze thema’s.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.