Hardleerse veelpleger lacht om taakstraf

Jeugdstrafrecht Jonge draaideurcriminelen stoppen vaak met hun gedrag als ze wat ouder zijn. Maar wie volhardt, moet de cel in, zegt een onderzoeker.

Een jeugdgevangenis in Den Helder. Veel jonge veelplegers krijgen op een zeker moment behoefte aan een rustiger leven. De stress wordt hen te veel.
Een jeugdgevangenis in Den Helder. Veel jonge veelplegers krijgen op een zeker moment behoefte aan een rustiger leven. De stress wordt hen te veel. Foto Koen Suyk/ANP

Zet jonge, volhardende veelplegers na wéér een misstap achter tralies. Leg alleen bij uitzondering een taakstraf op. En wees milder voor veelplegers die aantoonbaar stappen zetten richting het rechte pad. Dat adviseert pedagoog en emeritus hoogleraar jeugdstrafrecht Ido Weijers na het jarenlang volgen van de levensloop van 81 jonge veelplegers. Een boek naar aanleiding van de studie verschijnt aanstaande dinsdag.

Jonge misdadigers staan te boek als veelplegers als zij als minderjarige ten minste vijf keer zijn veroordeeld, en in elk geval eenmaal in de laatste twaalf maanden. Nederland telt ruim duizend jongvolwassen veelplegers, die gemiddeld op hun vijftiende begonnen met hun crimineel gedrag. Weijers en collega’s begonnen in 2007 met hun onderzoek. Ze kregen van het OM een lijst met veelplegers. De onderzoekers gingen de gangen na van 81 van hen vanaf 2001. Daarna volgden ze hun levenswandel tot 2016, toen ze gemiddeld 25 waren.

De veelplegers, bijna allemaal jongens, deelden kopstoten uit in het café, maakten zich schuldig aan inbraak, reden te hard of zonder rijbewijs door de straten. Meestal hadden ze meer op hun geweten dan justitie wist: de pakkans bij jongeren is laag.

De onderzoekers konden hun strafblad inzien, dossiers van de kinderbescherming en jeugdzorg, schoolgegevens, en ze interviewden een deel van hen rond hun 21ste jaar. Veelplegers hebben over het algemeen een laag IQ, en stoornissen als ADHD en schoolproblemen zijn gangbaar. Speciaal onderwijs is de norm, de school verlaten zonder diploma ook.

Stoppen met misdaad

Maar wat blijkt: rond hun vijfentwintigste was ruim 60 procent ten minste twee jaar gestopt met misdadige activiteiten. Niet alleen de kruimeldieven, maar ook twintigers die straatroven en ernstige mishandelingen op hun naam hadden staan. Ze hadden behoefte aan een rustiger leven, lieten ze weten. De inkomsten vielen tegen, de stress ging hen tegenstaan. Bovendien waren ze minder impulsief geworden en konden ze zich de zorgen van hun ouders beter indenken.

Ophouden, zo ontdekten de onderzoekers, is voor veel jonge veelplegers een bewuste stap waar ze „voortdurend en uitdrukkelijk” mee bezig zijn – een bevinding die indruist tegen een in de criminologie gangbare aanname dat stoppen ‘erin sluipt’ doordat iemand bijvoorbeeld een baan of vaste relatie krijgt. Dat stoppen voor velen een bewust proces is, biedt hoop, aldus Weijers: „Het biedt ruimte voor interventies die veelplegers motiveren om inderdaad voor een ander leven te kiezen.”

Om te weten hoe je veelplegers moet aanpakken, is het volgens Weijers raadzaam om hen in te delen in vier groepen, op basis van hun houding ten opzichte van stoppen. ‘Volharders’ zien geen probleem, ze willen doorgaan met hun criminele werk. De ‘erkenners’ geven toe dat hun bestaan op den duur niet is vol te houden – te jachtig, te stressvol – maar concrete stappen weg van de misdaad hebben ze nog niet gezet. De ‘voorbereiders’ zijn op de weg terug naar het rechte pad: ze solliciteren, of hebben een liefdesrelatie, en plegen vaak al een of twee jaar geen delicten meer. De ‘stoppers’ hebben al afstand genomen van hun criminele leven.

Gaan jonge veelplegers opnieuw in de fout, dan is het zaak, aldus Weijers, om bij de berechting in te schatten tot welke groep de veelplegers grosso modo behoren. „Dat kan op basis van hun strafblad, hun houding in de verhoorkamer en rechtszaal, en, vooral, op basis van onderzoeksrapporten van gedragsdeskundigen, reclasseerders en de Raad voor de Kinderbescherming.”

Volharders, die niet van plan zijn te stoppen met hun manier van leven, moet je volgens Weijers niet laten wegkomen met een taakstraf. Die straf wordt bij veelplegers jonger dan 25 vaker opgelegd dan bij oudere veelplegers, staat in de Monitor Veelplegers 2017 van het WODC, onderzoeksinstituut van Justitie. Weijers: „Een taakstraf beoogt re-socialisatie en reïntegratie. Maar daar is de groep van jonge volharders blind voor. Ze lachen om een taakstraf.” Ook de voorwaardelijke straf, bedoeld als stok achter de deur, sorteert bij deze groep geen effect, aldus Weijers. „De voorwaardelijkheid betékent niets voor hen. ‘Ik ben toch vrij?’ denken ze.” Maak de volharders moe, adviseert Weijers, zodat doorgaan met de misdaad onaantrekkelijker wordt. „Geef hen in principe korte, stevige vrijheidsstraffen. Ze doen er stoer over, maar ze vertellen ons dat ze het vastzitten zwaarder vinden naarmate ze ouder worden, en dat ze hun vriendin missen.”

Stop hardleerse veelplegers in cel

Geven veelplegers blijk van besef dat hun leven schaduwkanten kent, maar plegen ze tegelijkertijd nog geregeld misdaden? Mijd ook bij deze ‘erkenners’ de taakstraf, zegt Weijers. Geef ze een onvoorwaardelijke celstraf met een klein deel ‘voorwaardelijk’ – „maar controleer dan wel strikt of de jongere aan zijn voorwaarden, bijvoorbeeld een straatverbod, voldoet”. Pas bij de ‘voorbereiders’ kan een taakstraf volgens Weijers van waarde zijn, „omdat bij hen het perspectief op criminaliteit een andere betekenis heeft gekregen.”

Voor alle groepen veelplegers tussen de 18 en 23 geldt: berecht hen volgens het volwassenen-strafrecht. „Hen berechten volgens het adolescentenstrafrecht is misplaatst”, zegt Weijers. „Je behandelt hen als kinderen, terwijl het gaat om geharde veelplegers. Ook voor hen die aanstalten maken hun misdadige leven achter zich te laten, is er weinig te winnen bij een sanctie die hen karakteriseert als jong en onvolwassen.”

    • Ingmar Vriesema