Nederland al waterland in Bronstijd

Archeologie Promovendus Wouter Roessingh bestudeerde hoe boeren in het waterrijke West-Friesland leefden rond 1.500 voor Christus.

Drone-opname in West-Friesland, om boerenbewoning in de Bronstijd te bestuderen.
Drone-opname in West-Friesland, om boerenbewoning in de Bronstijd te bestuderen. Foto ADC ArcheoProjecten/Archol BV

„Het waren goede watermanagers en ze vormden hechte gemeenschappen.” Wouter Roessingh, archeoloog bij ADC ArcheoProjecten, heeft het over de boeren die tussen 1.500 en 1.100 voor Christus (Midden-Bronstijd) in West-Friesland leefden. „Gezamenlijk groeven ze honderden meters lange sloten om het water af te voeren.” Roessingh promoveert donderdag aan de Universiteit Leiden op onderzoek aan het bronstijdlandschap van het oostelijke deel van West-Friesland.

Dat landschap is uniek, zegt Roessingh. „Nergens in Europa kunnen boerderijen, erfindelingen, dorpjes en grafheuvels zo goed in samenhang bestudeerd worden.” Archeologen hebben in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw regelmatig onderzoek gedaan in het gebied. Alleen zijn die opgravingen niet of nauwelijks gepubliceerd. In het kader van het NWO-project Farmers of the coast heeft Roessingh de oude opgravingen nu bestudeerd en de bevindingen gecombineerd met de resultaten van recente opgravingen, waaraan hij ook zelf heeft meegedaan.

Constante verandering

„We stellen ons de Bronstijd vaak voor als een tijd waarin het landschap stabiel was”, zegt Roessingh. „Boerderijen keurig in een rij, strakke sloten, erven met moestuintjes en verkavelde akkers. Zo staat het op het omslag van het standaardwerk Nederland in de prehistorie uit 2005.”

Dat beeld klopt op zich, maar gaat voorbij aan de constante veranderingen in die tijd. Boerderijen werden afgebroken en opnieuw opgebouwd, sloten werden gegraven en weer dichtgegooid. Grafheuvels waren soms onderdeel van de nederzetting, maar werden ook apart in groepjes opgeworpen, in dodenlandschappen. Roessingh: „Sommige grafheuvels zijn eeuwenlang in gebruik geweest, andere zijn ‘vergeten’ en door boerderijen overbouwd.”

Tussen 1.800 en 1.700 voor Christus overstroomde West-Friesland in stormvloeden. Daarna is het gebied druk bewoond geweest. Roessingh: „Het lijkt op een bevolkingsexplosie en daarom is er gesuggereerd dat het om nieuwe bewoners van elders ging, onder andere van de zandgronden in het Gooi. Maar het was nog steeds een waterrijk gebied en om er te kunnen leven heb je speciale kennis nodig.”

Intussen is duidelijk dat het gebied vóór 1.800 voor Christus meer bewoond is geweest dan gedacht. Roessingh: „Het gaat dus om mensen die er al woonden en de benodigde kennis hadden. Volgens oude modellen gingen ze op droge kreekruggen wonen, maar uit recente opgravingen blijkt dat het woongebied veel groter was.”

Om droge voeten te houden, groeven ze sloten langs hun dorpjes. „Bij Enkhuizen-Kadijken hebben we een sloot van minstens 460 meter lengte gevonden”, zegt Roessingh. „Uit ervaring weet ik hoe zwaar het is om in de lokale klei te graven. Zo’n sloot graven kan alleen met een grote groep en dat wijst, samen met het onderhoud van de sloten, op een hechte gemeenschap.”

2.600 graszoden

Een nederzetting bestond in de Bronstijd uit vier tot zes boerderijen met elk zo’n twintig bewoners, denkt Roessingh. „De boerderijen waren vijftien tot twintig meter lang en zes meter breed, met aan de westkant de ingang naar het leefgedeelte en aan de oostkant een ingang naar het bedrijfsgedeelte.”

Voor de bouw van een boerderij was zeker honderd meter hout voor de constructie nodig, heeft hij berekend. „En voor de wanden 2.600 graszoden, zo’n 325 vierkante meter grasland.” Waarschijnlijk zijn de zware, kwetsbare zoden op karren vervoerd. „Dat moet in een droge periode zijn gebeurd. Wilgentenen, om palen met elkaar te verbinden, zijn na het vallen van de bladeren gesneden. Tot in januari, daarna worden de tenen breekbaar.”

Riet voor het dak werd in het najaar of de vroege winter geoogst. Roessingh: „Als alle materialen verzameld waren kon de bouw beginnen, waarschijnlijk in de lente of het begin van de zomer. Als de boerderij gereed was, werd er voor de afwatering een greppel van een meter breed en een meter diep gegraven.”

Die manier van bouwen ging door toen na 1.100 voor Christus de zeespiegel steeg en het leefgebied natter en kleiner werd. „De boerderijen concentreren zich dan in bewoningsclusters. Omgeven door sloten. Voor de afwatering.”