Recensie

Recensie Beeldende kunst

Heimwee naar de vertrouwde wildernis

Tentoonstelling De romantische wildernis met tijgers en bergtoppen is vervangen door chaos van computers en virtuele werelden. Schilderijen van wilde dieren en oerwouden geven nu troost, blijkt op een expositie in Frankfurt.

Henri Rousseau, Le lion, ayant faim, se jette sur l’antilope (1898-1905), detail.
Henri Rousseau, Le lion, ayant faim, se jette sur l’antilope (1898-1905), detail. Foto Robert Bayer/ Fondation Beyeler, Basel

Als je de Schirn Kunsthalle in Frankfurt binnengaat om de tentoonstelling Wildnis te bekijken, voel je meteen de spanning. Het gebouw is zo strak en wit, de omgeving in Frankfurt zo klassiek-Duits-aangeharkt, hoe ga je hier ooit een gevoel van wildernis ervaren? Wildernis, dat betekent voor de gemiddelde Europeaan duizenden kilometers reizen, jetlag, disbalans, warmte, benauwdheid, muggen, een voortdurend doorzeurend gevoel van ongemak en vervreemding: roep dat maar eens op in een museale tentoonstelling met kunstenaars als Gerhard Richter, Thomas Struth, Henri Rousseau, Per Kirkeby, Constant, Karel Appel, Camille Henrot, Tacita Dean en Ian Cheng.

Of moet je dat helemaal niet willen? Kunst gaat toch om suggestie, evocatie, the suspension of disbelief? Ik dacht aan Richard Long, ook in de expositie, die al bijna vijftig jaar beroemd is van de lange, eenzame wandelingen die hij maakt door afgelegen stukken natuur en waarvan hij getuigt met foto’s, teksten en grote stenen sculpturen – en ondertussen lijkt niemand zich in al die decennia te hebben afgevraagd hoe hij in zijn eentje in godsnaam al die tonnen steen de berg af krijgt. Dat is illusie, schijn, de kracht van de verbeelding – goeie kunstenaar, Richard Long.

Richard Long, A Circle in Scotland (1986).

Foto Richard Long/ Lisson Gallery

Tot ik besefte dat hier iets heel anders speelt: ‘wildernis’ is niet meer van deze tijd. Het is een begrip dat diep is geworteld in de wereldvisie van de negentiende eeuw – niet voor niets brengt Schirn Wildnes tegelijk met de expositie König der Tiere vol heroïsche, romantische dierenschilderijen van de Duitser Wilhelm Kuhnert uit het begin van de twintigste eeuw. Kuhnert was typisch zo’n kunstenaar die werkte vanuit de idee dat de mens het hoogste was wat de schepping had opgeleverd. Dat de menselijke geest, de menselijke cultuur beheersing en beschaving betekenen. Dat alles waar de mens geen grip op krijgt ‘dus’ wildernis moet zijn.

Wildernis was eigenlijk alles wat de westerse mens niet kende en niet beheerste. Dat maakt het ook veelzeggend, confronterend zelfs, dat ‘wildernis’ tegenwoordig voelt als een enigszins oubollig begrip: blijkbaar zijn we op een punt aangekomen waarin de notie van onbeheersbaarheid van de natuur nauwelijks meer bestaat. Iedereen heeft het gevoel overal naartoe te kunnen, en iedereen gaat ook overal naartoe – sommige bestemmingen (de top van de Mount Everest, de diepste krochten van het Amazone-oerwoud) zijn alleen wat lastiger te bereiken. Niet voor niets was het groot nieuws toen vorige maand bekend werd dat een Amerikaan, die het woord van God wilde verkondigen op het zeer afgelegen North Sentinel Island in de Indische Oceaan, door de lokale bevolking aan hun speren was geregen omdat ze niets van de westerse beschaving willen weten. Daarbij was de grootste verbazing natuurlijk dat zo’n alternatieve beschaving in deze tijden überhaupt nog bestaat – je voelde, achter het nieuws, de antropologen, documentairemakers en touroperators al trappelen om deze unieke ervaring te exploiteren.

Gerhard Richter, Tiger (1965).

Computer

Dat is het mooie aan ‘wildernis’: het is een notie, een begrip, waar de romantiek en de verlichting in volle kracht op elkaar botsen. En dat lijken de samenstellers van deze tentoonstelling heel goed te beseffen – wat het ook meteen tot een interessante tentoonstelling maakt. Bij bijna alle deelnemende kunstenaars voel je aan de ene kant het klassieke verlichtingsverlangen om de wereld, de natuur, naar je hand te zetten. En aan de andere kant is daar het diep-romantische inzicht dat dit onhaalbaar is. Want de natuur, de uithoeken van de aarde mogen tegenwoordig dan zo goed als veroverd zijn, daar zijn weer nieuwe onbeheersbare gebieden voor in de plaats gekomen: de techniek, de virtuele wereld, het menselijke brein. Allemaal plekken die we willen begrijpen, waar we grip op willen krijgen, maar die ons blijven ontglippen – de ware wildernis zit tegenwoordig in je computer. En in je eigen hoofd. Wildernis bestaat nog steeds, maar is minder fysiek geworden en steeds geestelijker.

Omdat Wildnes nog steeds vol zit met onbeheersbare, ruige, wilde natuur, krijgt het geheel iets troostrijks, nostalgisch zelfs. Ach, leefden we nog maar in de chaos van vroeger – die was ook ongrijpbaar, maar het was in ieder geval groen en grijpbaar en er kwamen nog eens wat dieren langs.

Niet voor niets opent de tentoonstelling met een foto uit Thomas Struths Paradise-serie, waarvoor hij naar schijnbaar ondoordringbare oerwouden over de hele wereld afreisde. Daar zit een mooie spanning in: allereerst blijken die oerwouden helemaal niet zo ondoordringbaar (want: Struth) en zoekt hij steeds plekken waar elke vorm van compositie, van (lineair) perspectief, van ordening uit lijkt te zijn verdwenen. Dat maakt je als toeschouwer aanvankelijk ongemakkelijk, omdat je niet begrijpt waar het door komt, omdat zo’n gebrek aan sturing in de kunst, en in het bijzonder in de fotografie, nogal ongebruikelijk is – maar het oerwoud wordt er een stuk oerwoudiger door.

Thomas Struth, Paradise 21, Juquehy/Brazilië (2001).

Foto Thomas Struth

De ander

En zo gaat het door, die voortdurende confrontatie tussen de krachten van de natuur en het menselijke streven tot beheersing. Soms geven kunstenaars zich bijna helemaal over aan de natuurkrachten, zoals Darren Almond, die landschappen vervaardigt door op afgelegen plekken als Patagonië ’s nachts te fotograferen met een extreem lange sluitertijd en zonder kunstlicht – waardoor er vervreemdende, diep-romantische ‘tussenlandschappen’ ontstaan. Daar dwars tegenover staan de foto’s van Julian Charrière. Die zijn op het eerste gezicht net zo romantisch en ruig: berglandschappen met kale, grijze rotsen omgeven door blauwe lucht, wolken en mist. Maar hoe herkenbaar en echt ze ook zijn, deze landschappen hebben nooit bestaan, Charrière heeft ze opgebouwd in een Berlijnse studio.

Dat is het mooie aan Wildnes: niets is hier wat het lijkt – en dat geldt uiteindelijk ook voor de verhouding tussen mens en natuur. We zien werken van kunstenaars die de natuur proberen te imiteren (opnieuw Charrière), die opgaan in de natuur (Ana Mendieta), die proberen in het menselijk hoofd te kruipen (Luke Fowler), zodat je beseft dat mens en natuur inderdaad héél veel op elkaar lijken, op een groot verschil na: de menselijke geest. Die voor- en achteruit kan denken, die zich bewust is van tijd en van de ander – en daardoor kunst kan maken. Dat is het geestige en paradoxale aan Wildnes: bijna alle werken gaan over de mogelijke versmelting van mens en natuur, terwijl het feit dat ze bestaan laat zien dat die versmelting nooit zal plaatsvinden – en je dat waarschijnlijk ook helemaal niet moet willen. Niet voor niets is de ultieme wildernis-ervaring op deze tentoonstelling het sublieme, de geestestoestand die wortelt in de negentiende-eeuwse romantiek waarbij de mens zo door een natuur- of kunst-ervaring wordt opgezweept en meegevoerd, dat hij de controle over precies die geest verliest – en daarmee zijn natuurlijke staat het dichtste nadert.

Max Ernst, Die Lebensfreude (1937).

Zo bekeken is het ongetwijfeld veelzeggend dat de tentoonstelling besluit met de installatie Melt (2016) van de Deense kunstenaar Jacob Kirkegaard. Daarin betreed je een ruimte die ‘gevuld’ is met een diep, intens oranjerood licht (denk James Turrell, Olafur Eliasson). Op de achtergrond klinkt een subtiel tinkelen, wat het geluid van smeltend ijs blijkt te zijn. Het is een merkwaardige, inderdaad bijna sublieme ervaring: het dieprode licht, in combinatie met het geluid dat je juist associeert met kleuren als grijs en blauw voert je mee naar een vreemde, onbekende ‘geestelijke’ ruimte waar het eigenlijk best prettig toeven is. Zolang je alleen bent tenminste. Want op het moment dat er andere mensen de ruimte binnenkomen, dringt tot je door dat de betekenis van wildernis de afgelopen eeuw inderdaad is veranderd: onrust, gebrek aan beheersing, komt niet langer door de natuur. Wildernis, dat is nu de ander.