Wijkagent ‘ome Roel’ is al weken niet in zijn wijk geweest

Nationale Politie De Tweede Kamer spreekt woensdag over wijkagenten, die te veel taken hebben en worden overvraagd. Op pad met Roel van de Veen, al 44 jaar agent op de Veluwe.

Wijkagent Roel van de Veen in gesprek op een bungalowpark bij Putten. „Nu zien mensen ons amper meer, waardoor we minder horen wat er speelt.”
Wijkagent Roel van de Veen in gesprek op een bungalowpark bij Putten. „Nu zien mensen ons amper meer, waardoor we minder horen wat er speelt.” Foto Bram Petraeus

Het is zeker al zo’n dag of veertien geleden dat wijkagent Roel van de Veen in zijn eigen ‘wijk’ was, in het buitengebied van het Gelderse Putten, vlak bij Harderwijk. Er waren verplichte cursussen over terreurbestrijding – je weet het nooit, ook in Harderwijk niet. En al liep de vakantieperiode ten einde, hij moest ook de diensten van collega’s overnemen. Belde iemand 112, dan moest híj erop af.

Wijkagent Roel van de Veen, 61 jaar oud en 44 jaar bij de politie, wil het liefst wel elke dag door zijn wijk rijden, maar wanneer?

Elke wijk zou een eigen agent krijgen, was de belofte bij de invoering van de Nationale Politie in 2012. Eentje per vijfduizend inwoners, die dan 80 procent van de tijd in de wijk zou zijn. Terwijl de politieorganisatie landelijker werd, zouden agenten lokaler gaan werken. Dichtbij, als aanspreekpunt voor burgers, om er vroeg bij te zijn als er problemen spelen in de wijk.

Dat is niet goed gelukt, zag de commissie die vorig jaar de invoering van de Nationale Politie doorlichtte. Wijkagenten „krijgen te veel taken en worden overvraagd”, schreven de onderzoekers. Woensdag debatteert de Tweede Kamer met minister Ferdinand Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) over het rapport.

Meer wijkagenten zijn er door de Nationale Politie wel gekomen in Putten, dat onderdeel is van het politieteam van Harderwijk: er waren er twee, nu zijn het er vier. „Maar dat waren wel agenten die we al hádden”, zegt Van de Veen. „Ze kregen alleen een andere taak.” De extra wijkagenten waren „een koekje van eigen deeg”.

Prostitutie en wietstallen

Harderwijk heeft honderd agenten, inclusief stagiairs. Er hoeft er maar eentje ziek te zijn „en alles ligt op z’n kont”, zegt Van de Veen. De roosters bijvoorbeeld. Er is méér werk, maar er zijn niet meer agenten. „Veertig extra, minstens”, hebben ze er nodig, denkt hij. Door tekorten aan agenten werken ze soms vijf weekenden achter elkaar in de nachtdienst. Sommige agenten werken meer dan dertig weekenden per jaar. Grapperhaus kondigde eerder dit jaar al 770 extra wijkagenten aan.

Altijd op de Veluwe, zijn collega’s noemen hem ‘ome Roel’ – zó lang is Van de Veen er al. Net als bij 14.000 andere agenten (van de 60.000 in totaal) nadert zijn pensioen. Dat gebeurt over twee jaar: Van de Veen is dan veertien jaar wijkagent geweest.

Zijn wijk, dat zijn meer dan zestig vakantieparken en campings in de ene hoek van Putten, en boerderijen aan de andere kant. „Acht kilometer die kant op”, wijst Van de Veen terwijl hij zijn blauw-wit gestreepte Volkswagen Golf over een weg langs boerderijen stuurt, „en dan een kilometer of tien daarheen”.

Elk gebied heeft z’n eigen problemen: prostitutie en permanente bewoning, onder meer door seizoensmigranten, in de vakantieparken. Op de boerderijen ‘verlaten’ stallen waar wiet geteeld wordt.

Van de Veen weet zeker, zegt hij wijzend naar een stal achterop een erf, dat dáár wiet geteeld wordt. Maar ja: je kunt – en mag – niet zomaar naar binnen. Hij hoopt over een paar weken tijd te hebben om er „in te duiken”, zegt hij.

Het is de ondermijnende criminaliteit waar minister Grapperhaus het zo vaak over heeft, die zich sluipenderwijs nestelt in de samenleving. Politieagenten zoals Van de Veen moeten zich er meer mee bezig houden – dat werd landelijk besloten door de minister in samenspraak met korpschef Erik Akerboom. Je ziet het niet, rijdend door het gebied met kronkelende wegen, bomen waar de bladeren afwaaien en uitgestrekte landerijen. Maar het is er wel.

Heeft u ervaring als wijkagent?

Wijkagenten „krijgen te veel taken en worden overvraagd”, schreef de commissie die vorig jaar de invoering van de Nationale Politie doorlichtte. We zijn benieuwd naar ervaringen van wijkagenten. Komt u nog veel in uw wijk? Wat is er sinds de invoering van de Nationale Politie veranderd in uw werk?

  1. Komt u veel in uw wijk?
  2. Wat is er sinds de invoering van de Nationale Politie veranderd in uw werk?
  3. Wat is de grootste verandering sinds de invoering van de Nationale Politie?
  4. Wat zou er volgens u verbeterd moeten worden?

Zuipende Polen en Bulgaren

Op een vakantiepark verbaast Van de Veen zich over het verval. Vergeelde coniferen, plastic luxaflex boven afbladderende kozijnen. Nu valt het mee, zegt Van de Veen, maar een poosje geleden zat het park vól met Polen en Bulgaren. Harde werkers, aardige lui. Maar zúipen dat ze konden. De mensen uit de Randstad die dachten een rustig vakantiehuisje te hebben gekocht, schrokken zich kapot. Nu zijn de Oost-Europeanen weg, met een groeiende stapel brieven op de deurmat van chalets als bewijs.

De agenten moeten méér, maar daardoor kan er minder. Het aanpakken van ondermijning of ‘high impact crimes’ – zoals diefstal – wordt landelijk besloten. Die landelijke aansturing botst te vaak met wat lokaal nodig is, concludeerde de commissie-Kuijken vorig jaar. De burgemeester moest machtiger worden, adviseerde hij. Maar dat wil Grapperhaus niet, reageerde hij dit voorjaar. Hij wil „organisatorische rust”.

Alcoholist in oud boerderijtje

Agent Van de Veen zoekt zijn eigen weg, want eigenlijk, zegt hij, „ben je als wijkagent ook sociaal werker”.

Bij een oud boerderijtje laat hij zien wat hij bedoelt. Mannen in afgesloten pakken verwijderen asbest. Jarenlang woonde er een alcoholist die soms zijn huis in brand zette. „Hij kon niet voor zichzelf zorgen. Je kunt hem dan arresteren, maar wat helpt dat?” Van de Veen regelde een chaletje voor de man op een vakantiepark en via de gemeente krijgt de man nu hulp. „Eigenlijk is dat niet volgens de regels, maar het wérkt wel.”

In 44 jaar bij de politie heeft Van de Veen alles zien veranderen. De politie, de criminelen, de problemen. Nu zijn het verwarde personen die nergens terecht kunnen en natuurlijk: de drugshandel die toeneemt. Hij heeft een dealer op het oog, maar betrap zo’n jongen maar eens op heterdaad.

Wat hetzelfde blijft, zijn de mensen die afglijden. „Je komt er regelmatig thuis, ineens zijn ze dood.” Met zo’n 5 à 6 procent van de bevolking heeft een agent écht te maken, schat Van de Veen. De rest komt alleen door pech wel eens in aanraking met de politie.

Ooit was hij de jongste en modernste agent van zijn korps: hij kon overweg met een computer. Nu hoort hij door een oortje continu de radioberichten en kan hij op z’n telefoon iedereen direct natrekken. De politie digitaliseert, Van de Veen beweegt mee.

Van de Veen mijmert over vroeger. Toen was er nog een volwaardig politiekantoor in Putten. Nee, beter: er was een volwaardig politiekorps, met eigen auto’s en een balie waar je ook ’s avonds terecht kon voor aangiften en hulp.

Er kwam een fusie met het team uit Ermelo en sinds de invoering van de Nationale Politie valt Putten onder Harderwijk, een kwartier rijden verderop. Dat is de thuisbasis, daar staan de auto’s, daar begint ’s ochtends de dienst met de briefing. Harderwijk valt weer onder Apeldoorn, en Apeldoorn onder de politie-eenheid Oost – met zo’n tachtig gemeenten de grootste van Nederland.

Bureau open tussen tien en twaalf

Moet een verdachte een nacht blijven, dan rijd je hem daarheen. Lelystad is dichterbij, maar dat is een andere eenheid. Centraliseren moet de Nationale Politie „efficiënter” maken. Van de vierhonderd bureaus die er in 2014 waren, moeten er in 2025 nog 167 over zijn.

„Het zijn de tijden, dat is ook goed, je kunt er toch niks aan doen”, zegt Van de Veen. „Vroeger was er overal nog een Rabobank.”

Het bureau van Putten is nu een kantoortje, drie ruimtes en zes werkplekken onder een systeemplafond. Elke dag is het open tussen tien en twaalf, twee aangiften kan de politie dan verwerken. Daarna rijdt de agent van dienst naar Ermelo voor een middagdienst, ook van twee uur.

„Eerst zat je hier de hele dag”, zegt een agent die aanschuift voor de lunch in Putten. „Je wist wat er speelde, de burgers zagen dat je er was.” Op de weekmarkt, elke woensdag, liepen altijd twee agenten. „Nu zien mensen ons amper meer, waardoor we minder horen wat er speelt.”

„Maar je kunt tegen bewoners niet zeggen: ik ben er even veertien dagen niet wegens studiedagen en nooddiensten”, zegt Van de Veen. Dus appt en belt hij ’s avonds thuis met bewoners uit zijn wijk. Hij pakt z’n telefoon en laat een gesprek zien. Een burenruzie, Van de Veen adviseert rustig te blijven. „Eigenlijk doe je niks, maar het gaat erom dat mensen zich gehoord voelen.”

Het móet niet, zegt hij, buiten werktijd zo betrokken zijn. „Maar als ik het niet doe, is er niemand.”

    • Mark Lievisse Adriaanse