Een nepgezin dat samenhokt in een piepklein bouwval in ‘Shoplifters’.

Hirokazu Kore-eda: ‘Wat maakt mensen tot familie?’

Hirokazu Kore-eda De Japanse regisseur maakte met ‘Shoplifters’ een geestig, ontroerend en warm portret van een lappendekengezin. „Ik wilde niet een voorspelbare familiefilm maken waar nu zo’n behoefte aan is.”

Die Gouden Palm voor de 56-jarige Japanse cineast Hirokazu Kore-eda zat er al heel lang aan te komen. Op het filmfestival van Cannes was de tevredenheid groot toen hij de hoogste prijs in de wacht sleepte. Shoplifters is de overtreffende trap in zijn delicate oeuvre en gaat over ouderschap en familie, zijn favoriete onderwerp.

Shoplifters is een geestig, ontroerend en warm portret van een nepgezin dat samenhokt in een piepklein bouwval tussen flatgebouwen. ‘Vader’ Osuma, een vrolijke uitvreter, leert ‘zoon’ Shota de edele kunst van de winkeldiefstal, ‘grote zus’ Aki werkt in de peepshow, ‘oma’ draagt haar pensioentje bij. Vinden ze op straat het mishandelde meisje Yuri, dan schikt men in voor een klein zusje. Shoplifters broeit van tederheid, maar op termijn lijkt deze criminele oase onhoudbaar.

Het treft dat Kore-eda dit jaar in Cannes een uiterst energieke tolk heeft: soms kabbelen tafelgesprekken met hem weg in stroperig gehum en gepeins. In persoon is de Japanse filmauteur net zo kalm en ingetogen als zijn films. Ooit wilde Kore-eda schrijver worden, maar hij rolde de filmwereld in en verblufte de wereld in 1995 met zijn poëtische debuut, Maboroshi no hikari: over een vrouw die de onverwachte zelfmoord van haar echtgenoot maar niet kan verwerken.

Er volgden licht surrealistische films als After Life (1998), waar zielen in het vagevuur een week krijgen om één herinnering mee te nemen naar de eeuwigheid, of Air Doll (2009), over een opblaaspop die filosofeert over eenzaamheid en liefde. Maar bekend werd Kore-eda vooral om familiefilms als Still Walking (2008) of Like Father, Like Son (2013), die in Cannes de Grand Prix won.

Toch ziet Kore-Eda Shoplifters niet als terugkeer naar vertrouwd terrein na zijn onverwachtse uitstapje The Third Murder, een filosofisch misdaadmysterie. „Nu gaat het opnieuw over een gezin, dat is waar. Maar niet zoals in recente films, die ik bewust intiem hield en beperkte tot zaken die me persoonlijk raken: familie, vaderschap, scheiding. Shoplifters richt zich eerder op het snijpunt van familie en samenleving.”

U zei elders dat de tsunami van 2011 u tot deze film bracht. In welke zin?

„Na de driedelige ramp – aardbeving, tsunami, nucleair – was ‘kizuna’ het schriftteken van het jaar in Japan: band, verbinding. Maar in de praktijk bewogen we ons na 2011 juist weg van solidariteit, richting een samenleving die outsiders niet helpt maar uitsluit. Daarom wilde ik niet een voorspelbare familiefilm maken waar nu zo’n behoefte aan is.”

Wat was uw inspiratie voor ‘Shoplifters’?

„Het begon met nieuwsberichten over nabestaanden die na het overlijden van hun opa of oma hun pensioen bleven incasseren. In één geval bewaarden ze hun oma zelfs in een vrieskist. Weet u, de Japanse economie stagneert al jaren. Toen ik opgroeide leefde iedereen in de middenklasse, nu groeit de kloof tussen arm en rijk. Veel mensen vallen door het vangnet en teren op pensioentjes of verzinnen creatieve oplossingen. Hoewel ik zo’n lappendekengezin als in Shoplifters nergens ben tegengekomen.”

U keert terug naar uw thema van bloedbanden versus liefde. Net als in ‘Like Father, Like Son’, waar twee gezinnen per ongeluk jarenlang elkaars kinderen opvoeden.

„Bij die film stelde ik mij de vraag: wat maakt mensen tot familie? De tijd die je samen doorbrengt? Of bloedbanden? Japan is geobsedeerd door bloedbanden. Ik krijg veel vragen over het feit dat in Shoplifters de kinderbescherming het meisje Yuri gewoon terugbrengt naar ouders die haar al jaren verwaarlozen en mishandelen. Maar dat is de praktijk in Japan.

„Ik heb research gedaan bij opvangcentra voor mishandelde kinderen. Het komt erop neer dat ze daar een paar weken worden opgelapt en weer naar huis moeten. Zo’n centrum raakt anders gewoon vol. Omdat we, anders dan bij u, nauwelijks een systeem van pleeggezinnen kennen. Dat komt door onze obsessie met bloedbanden. Waarom zou je andermans kind opvoeden? Overigens willen kinderen zelf meestal ook terug naar hun ouders.”

Armen hebben een warmer, rijker leven dan de opgeleide klasse, dat zie je vaker in uw films. Gelooft u dat?

„(Grinnikend) Daar lijkt het wel op, u heeft me. Maar ik presenteer dat arme gezin in Shoplifters niet als een utopie. De basis van die gezinsvorming is berekening, niet tederheid, gulheid of liefde. De ‘vader’ ontvoerde Shota omdat hij een hulpje bij de winkeldiefstal nodig heeft. Oma mag intrekken vanwege haar pensioentje. De ‘moeder’ adopteert het mishandelde meisje ook als een soort wraak op haar eigen moeder. Maar ondanks die troebele motivaties worden ze een hecht gezin. Ze vullen een leegte bij elkaar.”

Het gezin van ‘Shoplifters’ oogt uiterst ontspannen. Hoe kreeg u dat voor elkaar?

„Door de beste acteurs in te huren. Ik laat ze vooraf natuurlijk veel tijd met elkaar doorbrengen, maar ik kies gulle acteurs die op elkaar reageren en niet in hun eigen performance opgesloten zitten. Kinderen geef ik al jaren geen script. Ik leg ze elke dag uit welke scène we opnemen en wat ze moeten zeggen, en dat mag dan in hun eigen woorden. De regie laat ik vooral aan mijn acteurs over. Ik kijk toe hoe ze improviseren en met elkaar spelen. Zo wordt het echt, denk ik.

Lees hier de recensie van ‘Shoplifters’

„Bij Shoplifters besloot ik bovendien de ruimte in te perken, dat was een idee van mijn cameraman. We draaiden scènes in de tuin en op de veranda op locatie, het interieur van dat huisje stond in een studio. Met verplaatsbare muren hadden we veel ruimte voor de cameraploeg gehad, maar we hebben alles juist tussen de muren opgenomen. Die zelfopgelegde beperking geeft de film extra intimiteit.”

U wordt vanwege uw focus op familie en uw tedere stijl vaak vergeleken met de Japanse filmlegende Yasujiro Ozu. Wat vindt u daarvan?

„Een hele eer, maar eerlijk gezegd: Ozu is nooit mijn inspiratie geweest. Bij deze film was dat eerder de Brit Ken Loach met zijn warme, grappige groepsportretten in een gure maatschappij. Bij de winkeldiefstallen had ik ook Robert Bressons Pickpocket in gedachten: kleine, slimme handgebaren die diefstal tot een soort goochelen maken. Winkeldiefstal is voor deze mensen ook een spannend spel. Dat komt mij straks in Japan vast nog duur te staan, dat ik zo lichtvaardig omga met misdaad.”

    • Coen van Zwol