Ingmar Bergmans verdroomde jeugd

Fanny en Alexander Een van de warmste films van Ingmar Bergman keert terug in de bioscoop. ‘Fanny en Alexander’ is zijn grandioze apologie voor een leven dat in het teken stond van dromen, verhalen, fantasie en theater.

Regisseur in de dop: Alexander (Bertil Guve) speelt met zijn poppentheater
Regisseur in de dop: Alexander (Bertil Guve) speelt met zijn poppentheater

Zonder een vleugje showbusiness kon zelfs Ingmar Bergman (1918-2007) niet. Toen begin jaren tachtig de eerste plannen naar buiten kwamen voor Fanny en Alexander was de film van meet af aan omgeven door superlatieven. Fanny en Alexander was Bergmans terugkeer naar de Zweedse filmwereld, nadat hij een groot deel van de jaren zeventig in Duitsland had gebivakkeerd vanwege een belastingconflict in zijn vaderland. Zijn nieuwe film zou de langste en ook de duurste film worden die Bergman heeft gemaakt.

De opwinding was compleet toen hij ook nog bekendmaakte dat Fanny en Alexander zijn laatste film zou zijn. De lange draaiperiode van zes maanden was de regisseur, inmiddels de zestig gepasseerd, zwaar gevallen. Wegens ziekte had hij op sommige draaidagen – de begrafenis van Oscar Ekdahl in de film – zelfs verstek moeten laten gaan. De première van Fanny en Alexander ging vergezeld van een anderhalf uur durende documentaire over het maken van de film, ook van Bergman, en een interview van een uur met hem op de Zweedse televisie.

Al dat tromgeroffel heeft gewerkt. De film was een groot succes in Zweden en Bergman was voor het eerst in lange tijd weer in beeld bij de Oscars. Fanny en Alexander viel uiteindelijk vier keer in prijzen met Oscars voor beste niet-Engelstalige film, beste camerawerk (Sven Nykvist), beste kostuums (Marik Vos-Lundh) en beste decors (Anna Asp en Susanne Lingheim). Die ‘technische’ Oscars waren volkomen verdiend. Fanny en Alexander is een kostuumdrama dat zich afspeelt rond 1907 en heeft een – voor Bergman ongebruikelijk – sterke nadruk op visuele pracht en praal.

Dat succes stond in groot contrast met de film die Bergman voor Fanny en Alexander had gemaakt: het gefragmenteerde, nihilistische en desperate Uit het leven van marionetten (1978). Die film wordt nu gezien als een van zijn beste en belangrijkste, maar werd destijds door het publiek en de critici niet begrepen. Bergmans carrière dreigde zo hortend en stotend, enigszins roemloos te eindigen. Dat wilde hij niet laten gebeuren. Met Fanny en Alexander zorgde hij alsnog voor een machtig en imposant slotakkoord voor een artistieke carrière die zijn weerga in de Europese cinema niet kent.

Maar er was wel een kleine complicatie. Fanny en Alexander was helemaal niet zijn laatste film. Bergman heeft daarna weliswaar nooit meer zo’n kostbaar en grootschalig project onder handen genomen, maar voor de Zweedse televisie heeft hij nog een flink aantal films gemaakt die in andere landen vaak zijn uitgebracht in de bioscoop. Met In the Presence of a Clown (1997) promoveerde hij een personage dat een bijrol heeft in Fanny en Alexander – de neurotische, groteske oom Carl – tot hoofdfiguur. Die film, gebaseerd op een toneelstuk van Bergman zelf, is misschien wel het échte, onontkoombare meesterwerk uit Bergmans ‘late periode’. Fanny en Alexander is het begin van zijn late periode – niet het einde.

Verschillende versies

Nog een complicatie: als we het over Fanny en Alexander hebben, waar hebben we het dan over? De versie van ruim vijf uur – in vijf delen van zeer ongelijke lengte – die Bergman maakte voor televisie, of de bioscoopversie die iets meer dan drie uur duurt en nu opnieuw te zien is in de bioscoop? Of misschien toch de versie in boekvorm van Fanny en Alexander, die zoals vaak bij Bergman het midden houdt tussen een roman en een conventioneel filmscenario. De drie versies zijn stuk voor stuk prachtig, maar niet precies om dezelfde redenen. Belangrijke nevenpersonages zoals oom Carl – Bergmans geheime alter ego – en de moeder van Fanny en Alexander, Emilie, krijgen in de langere versie meer reliëf.

Maar in alle gevallen blijft de kern van Fanny en Alexander overeind staan. De film is verteld vanuit de belevingswereld van de fantasierijke, 10-jarige Alexander. Anders dan de titel doet vermoeden speelt zus Fanny slechts een kleine bijrol. Alexander wordt uit zijn aardse paradijs gedreven als zijn jonge moeder na de dood van zijn vader Oscar hertrouwt met de puriteinse, sadistische bisschop Edgar Vergérus. Alexander vecht terug. Hij krijgt hulp van de joodse koopman Isak Jacobi, die beschikt over mysterieuze, kabbalistische krachten. Magie en toverkunst zijn voor Bergman altijd de minder respectabele – en daarom aantrekkelijker – evenknie geweest van het christelijk geloof.

In de figuur van de afschrikwekkende bisschop Vergérus rekent Bergman voor de zoveelste keer af met zijn puriteinse, godvrezende jeugd als zoon van een dominee (en niet op de meest subtiele manier). Bergman heeft meer elementen van zijn eigen kindertijd meegegeven aan Alexander: de toverlantaarn waarmee hij zijn eerste beelden projecteerde; zijn ongebreidelde fantasie, waarin standbeelden plotseling tot leven kunnen komen; het grote, mysterieuze appartement van zijn geliefde grootmoeder; zijn verwarrende gevoelens voor zijn mooie, jonge moeder.

Al die autobiografische elementen zijn te vinden in Fanny en Alexander. Maar Bergman stond zichzelf ook toe om te dromen. De familie van Fanny en Alexander is géén domineesgezin, maar een warme en hechte familie van kooplieden en acteurs. Grootmoeder Helena Ekdahl was een gevierd actrice. Haar overleden echtgenoot kocht ooit een eigen theater voor haar, dat nog steeds in de familie is. De Ekdahls staan bovenaan de maatschappelijke ladder van een bescheiden provinciestad – universiteitsstad Uppsala stond model – en voelen zich senang in hun rol.

Provinciale zelfgenoegzaamheid

Gustav Adolf Ekdahl, een kinderlijke eigenaar van een restaurant, houdt een fraaie tafelrede waarin hij uitbundig de lof zingt van de geneugten van zijn ‘kleine wereld’, die de verschrikkingen van de ‘grote wereld’ op afstand houdt. Dat is niet de weg die Bergman zelf insloeg. Hij nam geen genoegen met provinciale zelfgenoegzaamheid en liet de verschrikkingen van de grote wereld volop toe in zijn films. Was het dat allemaal waard geweest? Die vraag begon Bergman zich tegen het einde van zijn carrière te stellen. Bij nader inzien is de levensfilosofie van de Ekdahls misschien zo gek nog niet.

De Ekdahls zijn geen mensen die zich uit het lood laten slaan door metafysische afgronden of het leed van de wereldgeschiedenis. Ook de hedonistische genoegens van rijke spijzen en dranken en erotiek laten ze zich niet ontzeggen door het moralisme van een levensvijandige God. Ze weten best dat ze niet meer dan acteurs zijn, dat ze een rol spelen. Nou en? Acteurs dragen altijd een masker. Maar de waarheid van de kerk is evengoed alleen maar een masker. Fanny en Alexander is Bergmans grandioze apologie van de wereld van het theater en de verbeelding, en daarmee impliciet van zijn eigen levenswerk.

Fanny en Alexander van Ingmar Bergman (188 minuten) is vanaf 20 december opnieuw te zien in de bioscopen.
    • Peter de Bruijn