Hof keurt stroomheffing af wegens inbreuk vrijhandel

Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week Europees recht.

Foto Getty Images/ iStockphoto

Toen twee eenheden van de kerncentrale Jaslovské Bohunice in Slowakije voor een grote revisie jarenlang moesten worden stilgelegd, voerde de regering een speciale heffing in op elektriciteit. Die moest vraag en aanbod in het land, dat ruim driekwart van zijn stroom uit kernenergie haalt, in balans houden. De heffing kostte stroomhandelaar Korlea (tegenwoordig Fens) alleen al in 2008 circa 6,8 miljoen euro extra voor elektriciteit die het bedrijf exporteerde. Korlea vocht de heffing aan. De rechter in Bratislava legde het geschil voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met de vraag of deze extra belasting op exportstroom was toegestaan.

Het Hof concludeerde vorige week dat de prijsverhoging in feite neerkwam op een douaneheffing en daardoor afbreuk deed aan de vrijhandel binnen Europa. Slowakije voerde aan dat binnenlandse stroomverbruikers eenzelfde prijsverhoging moesten betalen. Het Hof verwierp dat verweer: de heffing trof het ‘nationale product’ en het ‘identieke uitgevoerde product’ niet precies hetzelfde. Want in Slowakije betaalde de consument de toeslag, terwijl de rekening bij de uitgevoerde stroom naar de exporteur ging, niet naar de eindgebruiker. Door dat verschil kwam de heffing op exportstroom neer op verboden marktbederf.

Nederland, dat in deze zaak ook meedeed, gaf het Hof in overweging de heffing goed te keuren, omdat zij bijdroeg tot een evenwichtige stroomvoorziening en daarom kon gelden als „een dwingende eis van algemeen belang”. Het Hof wees die redenering af: te algemeen. Het vrij verkeer van goederen is volgens het Hof zo’n belangrijke pijler van de EU, dat elke uitzondering duidelijk in de EU-verdragen moet zijn geregeld. En dat is niet het geval.

www.curia.europa.eu: ECLI:EU:C:2018:986

    • Joop Meijnen