Groei aantal vrouwelijke hoogleraren dankzij subsidie

Hoger Onderwijs

Dankzij extra geld is nu één op de vijf hoogleraren vrouw, blijkt uit onderzoek van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren.

Binnenkomst van het cortege van hoogleraren van de Universiteit Utrecht tijdens de Dies Natalis, een bijzondere zitting van het College voor Promoties.
Binnenkomst van het cortege van hoogleraren van de Universiteit Utrecht tijdens de Dies Natalis, een bijzondere zitting van het College voor Promoties. Foto Koen van Weel/ANP

Het percentage vrouwelijke hoogleraren is in 2017 gegroeid van 19,3 naar 20,9 procent. Dat blijkt uit de jaarlijkse peiling van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH) die deze woensdag is uitgekomen.

De stijging is de sterkste sinds 1998. In totaal kwamen er afgelopen jaar netto 58 vrouwelijke en 13 mannelijke hoogleraren bij. Dit is mede te danken aan de benoeming van honderd vrouwelijke hoogleraren extra, de subsidie van de zogenoemde Westerdijk Talent Impuls. Verder blijkt dat vrouwelijke hoogleraren gemiddeld lager zijn ingeschaald. Ze werken bijna één uur langer dan mannelijke collega's. Het percentage vrouwelijke promovendi is aan het dalen, van 44,7 procent in 2011 naar 42,7 procent in 2017. „We moeten ons inzetten voor een meer inclusieve academische cultuur”, zegt Hanneke Takkenberg, voorzitter van het Vrouwennetwerk en hoogleraar thoraxchirurgie aan de Erasmus universiteit van Rotterdam.

Van de studenten is 53 procent vrouw. Daarbij vergeleken is het percentage hoogleraren laag. Bij elke volgende stap, van doctorstitel tot hoogleraarschap, daalt het percentage vrouwen. De monitor duidt dat verschil per stap aan met de zogenoemde Glazen Plafond Index: „Hoe hoger de Glazen Plafond Index, hoe dikker het denkbeeldige plafond tussen twee functiecategorieën en hoe lastiger het is voor vrouwelijke wetenschappers om door te stromen.”

In alle categorieën is de index het afgelopen jaar gedaald. Er zijn meer vrouwen doorgestroomd naar een volgende functie. Het percentage vrouwelijke universitaire docenten is met 40,7 procent al bijna gelijk aan het percentage vrouwelijke doctoren. Van de universitair hoofddocenten is 28,6 procent vrouw. De Open Universiteit heeft het hoogste en de Technische Universiteit Eindhoven heeft het laagste percentage vrouwelijke hoogleraren.

Jos de Jonge van het Rathenau Instituut betwijfelt de vooronderstelling van een glazen plafond, omdat die niet klopt met de cijfers van zijn onderzoek in de tijdsduur van loopbanen. De loopbaan van doctorstitel naar hoogleraar duurt gemiddeld 19 jaar. Dat verklaart waarom er minder vrouwelijke hoogleraren zijn dan doctoren. Zij hebben die gemiddelde route nog niet volbracht. Volgens de cijfers van het Rathenau weerspiegelde het percentage vrouwelijke hoogleraren het aantal doctoren van 19 jaar geleden. Nederlandse vrouwen gingen vergeleken met andere landen pas laat massaal promoveren. Vrouwen werden volgens het onderzoek gemiddeld op hun 47ste en mannen gemiddeld op hun 49ste jaar benoemd. „Het is niet zo dat het systeem mannen beter doorlaat dan vrouwen maar het is een demografische ontwikkeling”, zegt hij. Vrouwen maken wel eerder dan mannen kans op een benoeming tot universitair docent. De Jonge vraagt zich af of de kunstmatige groei van het aantal vrouwelijke hoogleraren door de van de Westerdijk Talent Impuls volgende jaren geen tegeneffect krijgt omdat er minder vrouwelijke universitaire hoofddocenten beschikbaar zouden zijn.

Omdat het onderzoek van het Rathenau Instituut een geanonimiseerde verwerking was van de loopbaan van al het wetenschappelijke personeel aan de universiteiten kon het dit jaar niet worden herhaald. Sommige universiteiten willen de data van hun personeel niet afgeven wegens de nieuwe privacywetgeving.

Takkenberg, van huis uit epidemioloog, heeft methodische bezwaren tegen het onderzoek van Rathenau. Ze vindt het een „wankele basis” voor analyses op benoemingskansen. Het gaat slechts om gemiddelden, terwijl er veel variatie is. Er wordt geen rekening gehouden met zij-instromers. De monitor kon de duur van de loopbanen niet onderzoeken. Takkenberg maakt zich zorgen over de instroom van vrouwen in bijvoorbeeld economie. „Wat zijn de mechanismen dat vrouwen daar minder kans maken?” vraagt zij zich af. „Bij eindexamens vwo economie worden beelden geschetst met mannelijke voorbeelden. Dan begrijp je ook dat meisjes ontmoedigd worden om binnen de economie een carrière te ambiëren.”

    • Maarten Huygen