Verkeerde uitslag gentest verandert lichaam en geest

Placebo-effect De uitslag van een genetische test leidt meteen tot verandering in gedrag en lichamelijk functioneren – los van de genafwijking.

Foto Getty Images/iStockphoto

Mensen die te horen krijgen dat ze een genetische aanleg hebben om eerder moe te worden bij lichamelijke inspanning zíjn dat daarna ook tijdens een maximale-inspanningstest. Hun zuurstofopnamecapaciteit is meetbaar lager en ze vóélen zich na de inspanning ook vermoeider.

En mensen die als testuitslag krijgen dat ze een genvariant dragen waardoor ze zich eerder ‘vol’ voelen na een maaltijd, en daardoor minder aanleg hebben om te dik te worden, vóélen zich ook voller na een maaltijd.

In beide gevallen maakt het niet uit of mensen die genetische aanleg wel of niet hebben. Die veranderingen van gedrag, lichaamsfunctie en ervaring zijn er ook als, in het kader van wetenschappelijk onderzoek, opzettelijk de verkeerde testuitslag is gegeven.

Dit placebo-effect van een genetische test kan zelfs groter zijn dan het verwachte effect van de genetische aanleg, ontdekten onderzoekers van Stanford University. Hun publicatie verscheen maandag in Nature Human Behaviour.

Duursportvermogen

Steeds meer mensen laten bij een commercieel bedrijf hun genen analyseren om iets te weten te komen op hun genetische aanleg voor ziekten. Om te achterhalen welke invloed zo’n testuitslag heeft op gedrag, perceptie en zelfs op lichamelijk functioneren, deden de Stanfordonderzoekers twee experimenten met steeds ongeveer 110 mensen. Die proefpersonen stonden allemaal wangslijmvlies af voor een test op gezondhoudende en ziekmakende genvarianten. De onderzoekers richtten zich in het ene experiment op een gen (CREB1) waarvan een variant het duursportvermogen vermindert. Mensen met die genvariant krijgen het eerder te warm als ze hardlopen en nemen ook niet zo soepel zuurstof op. In het tweede experiment keken ze naar het gen FTO, waarvan een variant de kans om te dik te worden vergroot. Mensen met de dikmakende variant voelen zich minder snel verzadigd als ze eten.

In beide experimenten deden de proefpersonen een nulmetingtest: een maximale-inspanningstest op een loopband, of een meting van het volle gevoel na een standaardmaaltijd. Daarna kregen de proefpersonen zogenaamd de uitslag van de afgenomen gentest. Van de mensen die in het echt een hoogrisicogen hadden, kreeg de helft te horen dat ze een laagrisicogen hadden. De andere helft kreeg de juiste uitslag. Mensen met een laagrisicogen werden op dezelfde manier over laag en hoog risico verdeeld. Daarna deed iedereen de loop- of eettest opnieuw. De verandering in fysiologie, gedrag en ervaring waren soms frappant, vergeleken met de nulmeting, en vaak groter dan het verschil dat de genvariant misschien teweeg zou kunnen brengen.

Dit betekent volgens de onderzoekers dat kennis over het genetische risico om obees te worden de kans om dat werkelijk te worden vergroot. En dat we, nu het tijdperk van de precisiegeneeskunde aanbreekt, gestoeld op uitslagen van genetische tests, goed moeten nadenken over de invloed die een gentestuitslag kan hebben op de gezondheid van een patiënt.

    • Wim Köhler