Opinie

Van de universiteit is echt geen McDonald’s te maken

Onderwijsblog Studierendement en diplomabonus creëerden ontevredenheid aan de universiteit, schrijven Josef Früchtl en Geertje Hulzebos van #Woinactie.

Evert Elzinga/ANP

Sinds een paar maanden zijn de politieke acties terug op de Nederlandse universiteiten van Groningen, via Utrecht en Amsterdam tot Maastricht. Docenten zijn verenigd in WOinActie, waar ook de studentbewegingen een steeds grotere rol in spelen. De decennialange bezuinigingen op het onderwijs vormen de kern van de protesten. Volgens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) Ingrid van Engelshoven (D66) is het veelal gezeur om meer geld en daarmee lijkt de kous voor haar af.

Wat is er aan de hand in onderwijsland?
Het universitair onderwijs staat al sinds 2000 onder grote druk door bezuinigingen en het uitblijven van nodige investeringen. Voorbeelden van recente bezuinigingen zijn de doelmatigheidskorting – een bezuiniging van 183 miljoen – en de lumpsumkorting – 19 miljoen. Wopke Hoekstra – Minister van Financiën (CDA) – heeft net nieuwe bezuinigingen aangekondigd. Het universitair onderwijs komt structureel 1,15 miljard tekort doordat het onderzoeksbudget niet meegroeit met de studentaantallen. Zo is de bekostiging per student in 18 jaar tijd met 25 procent gedaald, terwijl de studentaantallen met 68 procent zijn gestegen. Door het uitblijven van investeringen van de regering, worden universiteiten gedwongen te bezuinigen.

Concrete gevolgen van dit beleid zijn dat de collegezalen uit hun voegen barsten; dat het internationaliseringsbeleid steeds agressiever wordt om meer studenten te trekken en dat die studenten steeds harder door hun studie worden heen gejaagd; dat 60 procent van de docenten door de werkdruk psychische en fysieke klachten heeft opgelopen; en dat 90 procent van hen door de hoge werkdruk desondanks doorwerkt. Verscheidene gezaghebbende instanties herkennen dit. Zelfs KNAW-president Wim van Saarloos spreekt van een race to the bottom.

Wat is de beleidsmatige achtergrond?
De huidige staat van het onderwijs is een gevolg van het fundamentalistische marktdenken sinds de jaren ’80. Hoewel het de markt is geïntroduceerd om de tevredenheid te vergroten, heeft zij de ontevredenheid slechts verergerd. De flexibele markt moest de problemen en traagheid van de logge overheidsinstituten oplossen. Het introduceren van de markt zou ten goede komen aan de geleverde service, klanttevredenheid en kwaliteit van het product. Het neoliberalisme, met als kern de vrije markt, moest alles efficiënter en daarmee goedkoper maken. De beloftes zijn niet waargemaakt: geen kwaliteitsimpuls en juist hogere kosten.

Het neoliberalisme is duidelijk terug te zien in de bekostigingsvisie die OCW erop nahoudt. In de onderwijsbekostiging worden universiteiten betaald naar de snelheid van het afstuderen van hun studenten. Lof voor studierendement is uitgedrukt in de zogenoemde diplomabonus en groei wordt gestimuleerd door financiering af te laten hangen van het aantal studenten. Zo wordt de universiteit net een bedrijf, waarin rendement en groei tegen de laagst mogelijke prijzen primaire indicatoren van kwaliteit vormen. Het belang dat men hecht aan concurrentie is duidelijk te zien aan de zaken waar wel geld aan wordt uitgegeven: ‘excellentie’, prestigieuze gebouwen en agressieve (internationale) marketingcampagnes. Studentaantallen en rankinglijstjes zijn alles voor de marktgedreven onderwijsmanagers. Cijferfetisjisme en kwantificatie van kennis staan centraal. De universiteit is verworden tot een bedrijf dat zo efficiënt mogelijk te werk moet gaan onder het mom van ‘kennis, kunde, kassa’.

De ongelukkigheid van het huwelijk
Niet alleen is de markt onverenigbaar met het Humboldtiaanse idealisme van waartoe de universiteit ter aarde is, zij is ook incompatibel met de markt omdat de universiteit zowel economisch als beleidsmatig niet als bedrijf kan worden begrepen. De universiteit en de McDonald’s zijn niet hetzelfde en de managers zullen er niet in slagen dat er van te maken. Ten eerste is er nauwelijks een directe financiële transactie tussen studenten en hun universiteit. Het grootste deel van de bekostiging is afkomstig van OCW en is voor de instelling als geheel afhankelijk van het aantal studenten, diplomabonussen en nominale studieduur. Ten tweede is het oprichten van een bedrijfsmatige universiteit toch zwaar gereguleerd; een vrije markt ziet er anders uit. Ten derde betreft het geconsumeerde product een immateriële ervaring, namelijk het onderwijs. Oftewel, de niet-goed-geld-terug-garantie geldt niet. Als je ontevreden bent over je studie kan je ook niet zomaar stoppen zonder daar grote (financiële) consequenties van te ondervinden.

Als je in een ongelukkig huwelijk zit en coaching geen oplossing levert, is het tijd om te gaan scheiden. Alleen op die manier is er iets nieuws mogelijk en kun je weer adem halen. De universiteit kan dan terug in de handen van de academische professionals: de mensen die daar gezamenlijk werken. Een klein stapje op deze weg is om meer structurele investering op het terrein van hoger onderwijs te hebben. WOinActie, een verband van diverse academische groepen, strijdt er vooreen petitie. Verdere acties zullen volgen. Totdat D66, de zogeheten onderwijspartij, eindelijk begrijpt, dat hoger onderwijs te kostbaar is om aan mensen over te laten die maar in markt cijfers denken – de onderwijsmanagers.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.