Recensie

Recensie Muziek

Schaapjes tellen tussen de schimmen van A Perfect Circle

Rock Bij het optreden van de Amerikaanse progrockband A Perfect Circle in Afas Live gold een telefoonverbod. Maar wat hadden we in vredesnaam moeten filmen?

Bassist Matt Mc Junkins en zanger Maynard James Keenan (achterin) van A Perfect Circle op het Duitse festival Rock im Park festival in juni 2018.
Bassist Matt Mc Junkins en zanger Maynard James Keenan (achterin) van A Perfect Circle op het Duitse festival Rock im Park festival in juni 2018. Foto Timm Schamberger/EPA
    • Frank Provoost

Attentie! Attentie! Tot twee keer toe galmt er een streng bevel door de Afas Live: het is vanavond „ten strengste verboden” het optreden van A Perfect Circle met mobiele telefoons te filmen of fotograferen. Wie dat gebod overtreedt en wordt betrapt, zal door de beveiliging „onmiddelijk” uit het gebouw worden verwijderd.

Zo’n straffe waarschuwing, dat belooft natuurlijk wat.

En eerlijk is eerlijk: een beetje spektakel kan de alternatieve progrockband best gebruiken. Voor de buitenwacht blijft A Perfect Circle altijd een beetje het ongewenste bastaardkindje van Maynard James Keenan. De excentrieke zanger, schreeuwer, grommer, worstelaar en wijnboer is toch vooral geliefd voor zijn baanbrekende werk bij de grimmige metalband Tool. A Perfect Circle, dat hij samen met gitarist Billy Howerdel oprichtte, dient vooral als zachtere tegenpool voor al dat duistere gitaargeweld.

Dat blijkt ook nadrukkelijk uit de manier waarin de band er zondagavond vanaf het eerste moment niet invliegt, met het titelnummer van de dit jaar verschenen album Eat the Elephant – een onderkoelde en trage pianoballade die je meteen naar koffie met cake doet snakken.

En waar is Keenan eigenlijk? Hij blijkt zich helemaal achter op het podium te hebben verstopt op een rond privéschavot. Meestal leunt hij in zijn strakke, rode designerpak roerloos op zijn microfoonstandaard, héél soms doet hij een Bono-dansje. Hij zingt loepzuiver hoor, daar niet van, maar je mist zijn venijnige uithalen en gemene gebrul.

Afgezien van spaarzame uitschieters als ‘TalkTalk’, ‘The Hollow’ en ‘Judith’ is dat het probleem van de gehele show: APC speelt haar progrock perfect na, maar het is vlak en zielloos en slaat daarom dood. In ‘Counting Bodies Like Sheep To The Rhythm Of The War Drums’ ga je inderdaad schaapjes tellen, en vraag je vooral af: waar sloeg dat telefoonverbod eigenlijk op? Wat hadden we hier in vredesnaam moeten filmen of fotograferen? Anderhalf uur en negentien nummers lang zijn er uitsluitend ronddolende schimmen te zien. Alleen Howerdel weet zijn glimmende schedel heel soms onder een van de spaarzame spotlights te wurmen. Dan speelt hij alsof elke noot pijn doet, gooit zijn plectrum in het publiek en stapt terug in het donker.

„De beveiliging is er nu vandoor”, zegt Keenan in de laatste minuut van het laatste nummer, (‘Delicious’). „Jullie mogen nu je telefoons pakken en de rest van de show foto’s maken: I don’t care.” Het is de enige keer dat hij zijn privé-podium verlaat. Na één keer zwaaien loopt hij meteen door naar de kleedkamer.