Opinie

    • Marjoleine de Vos

Het mysterieuze leven van je jongere zelf

None

Zo’n zinnetje: „Hij kan niet met en niet zonder haar.” Dat wordt geïllustreerd met een misschien wel komisch bedoeld maar uiterst negatief getoonzet verslag van ‘hem’ en een liefdesbrief. Van ‘haar’ wordt een gedicht geciteerd dat ongeveer uit die tijd moet stammen. Zij is Frederike Harmsen van Beek, hij Remco Campert.

Biografe Maaike Meijer heeft zich een beeld gevormd, de lezer doet dat vervolgens ook; binnen de kortste keren heb je oordelen en meningen over de beschreven personen.

Kijk eens naar je eigen leven. Stel je voor dat iemand het, na je dood, zou moeten reconstrueren. Kijk eens naar één dag en voel terug hoe je lachte en praatte maar er met je hoofd maar ten dele bij was want vervuld van een mengeling van zorgen om iemand van wie je houdt, vreugde om iets waar je naar uitziet, angst voor wat er staat te gebeuren – bijvoorbeeld. Zo kluwenachtig en gordiaans zijn de gevoelens dat je ze met geen mogelijkheid onder woorden zou kunnen brengen. Het gaat misschien ook niet om woorden, maar meer om een soort achtergrondstemmingsmuziek. Niemand weet ervan, alleen jij.

En degenen met wie je praat of werkt hebben ook hun eigen achtergrondmuzieken, hun dromen en stemmingen waar je niets van weet maar die wel de grondtoon van hún leven bepalen. Zoals Marilynne Robinson laatst zei in het mooie interview dat Nynke van Verschuer met haar had, heeft iedereen „een mysterieus innerlijk leven dat je nooit zult kennen”. Dat geldt zelfs voor je jongere zelf.

In een brief schrijft Campert aan Harmsen van Beek: „Ik wil alles en altijd voor je zijn, zolang ik ademhaal. Ik hou van je ik hou van je ik hou van je.” Hij wil met haar trouwen. Maar een kleine zestig jaar later zegt hij: „Het was raar dat ik het wilde, we hadden al ruzie.” De dag voor hun huwelijk slingerde hij haar een asbak naar het hoofd die haar twee voortanden kostte. Harmsen van Beek zelf herinnert zich, veertig jaar later, dat hij haar tanden eruit sloeg.

Een vriendin herinnert zich, ook weer zestig jaar later: „Er was toen ook die jazzgeneratie, Remco hield daarvan […] Maar zij hield helemaal niet van jazz, dat vond ze zelfs vervelend.”

Lees ook: Leven in een eigen koninkrijk, recensie van de biografie van Frederike Harmsen van Beek (Boeken, 7/11)

Uit alles lijkt maar één conclusie te trekken: dat dat huwelijk van het begin af aan gedoemd was. Maar wat voelden de hoofdpersonen zelf in die tijd? Van haar is geen brief of dagboek van toen bewaard, alleen dat ene gedicht waarvan, zoals dat met gedichten gaat, niet vastgesteld kan worden wat de relatie met het leven is.

Iedereen kan begrijpen dat een biografie niet aan alles recht kan doen, we hebben de kaart nodig, niet het gebied. Maar stel je voor dat het je eigen leven was waarover men jaren later zo sprak. Dat men meende te weten hoe je je in je huwelijk gevoeld moet hebben, hoe bij een scheiding, wat voor moeder je was en hoe je je gedroeg tegenover gasten.

Denk dan aan je leven: hoe je met je vinger even langs een schilderij streelt, hoe je het zolderraam op een kier zet om met je kin op de vensterbank de koolmeesjes te bespioneren, hoe je grinnikt voor de spiegel als je per ongeluk een pikzwarte lijn onder je oog hebt gezet en tegen jezelf mompelt: ‘De heks van de Achterhoek.’ Hoe je staat te dansen in de kamer als niemand kijkt. Hoe je voelt dat je nooit, nooit, zal kunnen zeggen hoe die knoop in je eruitziet.

Denk nu nog eens aan de biograaf …

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.
    • Marjoleine de Vos