De arts die je elke patiënt gunt

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over het feestje waar dokter Larry Norton geen plezier maakt.
Illustratie Eliane Gerrits

Je hebt dokters, dokters en dokters. Er zijn er die weinig interesse in je hebben, die je gedurende een consult nauwelijks aankijken; er zijn artsen die bezorgd over je zijn; en er is dokter Larry Norton.

We worden aan elkaar voorgesteld op een verjaardagsfeest in een club in New York, tijdens Chanoeka. Een vrijwel kale man van rond de zeventig in een kreukelig pak – eerder de uitstraling van een wiskundige dan van een arts. Het loopt tegen zevenen. Iedereen is blij dat de werkdag om is. Tijd voor een cocktail. Maar dokter Norton springt van het ene op het andere been. Hij is er met zijn hoofd niet bij.

Ik leid hem naar een rustig plekje achteraf en vraag wat hem scheelt. „Ik had mijn borstkankerpatiëntendag”, vertelt hij. „Dat valt me altijd zwaar. Vandaag was het extra moeilijk. Met een van mijn patiënten, een moeder met jonge kinderen, gaat het niet goed. Officieel is ze uitbehandeld, maar dat zit me niet lekker. Ik kan er niet tegen dat ik niks voor haar kan doen.”

Het is behoorlijk druk in de kleine club, waar de temperatuur inmiddels fors is gestegen. Mensen scharen zich rond de chanoekia waarvan door de vrouw van de jarige een kaars wordt aangestoken. Dokter Norton neuriet mee met het gebed. Daarna wordt er voor de jarige gezongen en wordt er gedanst. „Sorry”, zegt dokter Norton. „Ik kan niet feesten terwijl die vrouw zojuist te horen kreeg dat er geen hoop meer is.”

„Je stond te praten met mijn held”, zegt een vrouw tegen wie ik even later aan bots. Toponderzoeker Norton, hoofd van de afdeling tumoren van het Memorial Sloan Kettering-kankercentrum in Manhattan is een held voor zijn patiënten, onder wie beroemdheden als Bette Midler. „Ik ben naar al zijn lezingen geweest”, zegt de vrouw. Deze bevlogen arts heeft groupies!

Als tijdens het diner een toost wordt uitgebracht op de jarige, door een kromme maar zeer gevatte Henry Kissinger, klaart Norton opeens op. „Ik heb een behandelplan”, vertelt hij opgetogen. „Ik bel haar meteen op als ik thuis ben. Dat wordt laat, maar dat neemt ze me vast niet kwalijk. Waarschijnlijk ligt ze toch wakker.”

Hij is een stuk vrolijker en neemt eindelijk een slok wijn. „Het is wel lastig hoor, zoveel empathie”, vertrouwt hij me toe. „Ik kan mijn patiënten niet loslaten, geen van hen.”

„Weet je waar ik echt moeite mee heb?”, vraagt hij voor hij vertrekt. „Dat er voor mij als arts geen rouwproces is als een patiënt sterft. Ik blijf steken in dat verdriet. De familie neemt de tijd om het gemis te verwerken, maar ik kan dat niet. Er zijn altijd weer nieuwe patiënten. Soms heeft de weduwnaar allang weer een nieuwe partner en dan denk ik nog altijd aan die overleden vrouw die ik niet heb kunnen helpen.”

Door het raam zie ik hem in een taxi springen, zijn telefoon al in de hand. Waar vind je een arts die zo veel om zijn patiënten geeft?

Reacties naar pdejong@ias.edu.
    • Pia de Jong