Opinie

Bij roofkunst staat belang slachtoffer altijd voorop

Roofkunst De kritiek op het Nederlands roofkunstbeleid is suggestief en berust niet op feiten, schrijft .

Wassily Kandinsky, Bild mit Häusern, 1909. Foto collectie Stedelijk Museum Amsterdam
Wassily Kandinsky, Bild mit Häusern, 1909. Foto collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Het opiniestuk van Wesley Fisher en Anne Webber, Van leider naar paria? Nederland, herzie beleid roofkunst (8/12), vraagt om een weerwoord. Het bevat op veel onderdelen een onjuiste voorstelling van zaken.

Er mag geen twijfel over bestaan dat belangen van de slachtoffers van het naziregime altijd voorop staan. De Restitutiecommissie, in 2001 in het leven geroepen om advies uit te brengen over claims op naziroofkunst in Nederlands openbaar bezit, erkent en respecteert die belangen. Kunstwerken die door of als gevolg van naziterreur aan deze slachtoffers zijn ontnomen, behoren te worden gerestitueerd. De commissie hanteert onverminderd de normen van de Nederlandse commissie-Ekkart uit 1997 en de internationaal afgesproken, zogeheten Washington Principles uit 1998 als leidraad. Op grond van deze normen neemt de Restitutiecommissie tot uitgangspunt dat een verkoop door een particulier tijdens de bezetting vanaf mei 1940 verondersteld wordt onvrijwillig te zijn geweest, behoudens bewijs van het tegendeel. Fisher en Webber bekritiseren onder meer het bindende advies van de commissie over het schilderij Bild mit Häusern door Wassily Kandinsky. Daarin is geoordeeld dat de verkoop op de veiling niet los kan worden gezien van het naziregime.

Lees het opiniestuk van Wesley Fisher en Anne Webber: Van leider naar paria? Nederland, herzie beleid roofkunst

Het spreekt vanzelf dat niet ieder onvrijwillig bezitsverlies hetzelfde is. In sommige gevallen is een kunstvoorwerp letterlijk geroofd of met geweld afgenomen en in andere gevallen is sprake geweest van een transactie, die zonder de omstandigheden van de oorlog, een gewone verkoop zou zijn geweest. Daarbij is van belang of de koper te goeder trouw was. Als dat zo is, zou deze transactie naar de gewone regels van het recht niet aantastbaar zijn. De Nederlandse musea die dergelijke transacties zijn aangegaan, hebben ermee ingestemd dat de Restitutiecommissie desondanks bij bindend advies tot teruggave kan besluiten. Dat heeft zij in vele gevallen ook gedaan.

Afwegingen van de Restitutiecommissie

De commissie moet daarbij volgens het Nederlandse overheidsbeleid alle omstandigheden in haar oordeel betrekken. Als de verkoop als een onvrijwillige wordt beschouwd, kan er sprake zijn van persoonlijke omstandigheden die het waarschijnlijk maken dat de verkoop ook had plaatsgevonden zonder druk van de oorlogsomstandigheden. In het geval dat de oorspronkelijke eigenaar na de oorlog de mogelijkheid heeft gehad de transactie aan te vechten maar dat heeft nagelaten, kan dit een aanwijzing zijn dat dit zo is. Ten slotte kan de commissie in haar afweging betrekken dat de partij die het schilderij claimt, geen enkele relatie daarmee heeft gehad en (bijvoorbeeld) alleen belang heeft bij restitutie in verband met de opbrengst na verkoop.

Er kunnen (dus) omstandigheden zijn die tot de conclusie leiden dat de kunsthistorische waarde en het belang bij het behoud van een schilderij voor een Nederlandse museumcollectie zwaarder wegen dan die van de eiser in kwestie. Op enig moment kantelt de afweging in het voordeel van een museum dat, als de commissie anders had besloten, zich ongetwijfeld bij dat oordeel had neergelegd. Bij de zaken betreffende de Nederlandse Kunstcollectie heeft de commissie altijd het belang van de verzoeker het zwaarst laten wegen. Bij de zaken waarin een bindend advies is gegeven, was dit in zeven van de tien keer ten gunste van de eisers.

Lees ook: Erven willen advies Kandinsky uit Stedelijk ongedaan maken

Het is niet juist dat het Nederlands beleid thans is veranderd in het nadeel van verzoekers. In alle gevallen wordt tegemoet gekomen aan de partij die restitutie verlangt door aan haar géén bewijslast op te leggen, en door ontbreken van informatie als gevolg van tijdsverloop niet in haar nadeel te laten werken. Het kan dan toch gebeuren dat onvrijwillig bezitsverlies tijdens het naziregime niet komt vast te staan of onvoldoende aannemelijk is. Dat mag niet worden uitgelegd als ontkenning van het leed van de slachtoffers. Het gebeurt pas na uitgebreid onderzoek en lang, zorgvuldig afwegen. Zo ook in dit geval. De evidente gevallen uit de eerste tien jaar zullen nu minder vaak voorkomen. De juiste cijfers zijn te vinden in de jaarverslagen van de Restitutiecommissie (te vinden op haar website). Die geven een ander beeld dan de schrijvers van het opiniestuk presenteren. Zij suggereren ook dat de eiser aan wie recent de restitutie is ontzegd, een nauwe band met dit schilderij had. Dat was niet het geval.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.