Campagne van de Jonge Democraten, jongerenorganisatie van D66, tegen de inlichtingenwet.

Foto Robin Utrecht/ANP

‘Referenda hebben indirect een grote impact’

Kristof Jacobs, politicoloog Het laatste referendum, over de inlichtingenwet, verliep „veel beter” dan dat over het Oekraïne-verdrag, zegt onderzoeker Kristof Jacobs. De campagne werd door kiezers zelf ook veel netter en inhoudelijker gevonden.

Luister hier naar onze podcast Haagse Zaken over het tussentijdse advies van de commissie-Remkes

Willen kiezers graag dat het referendum terugkeert? Die vraag is relevant, omdat de staatscommissie parlementair stelsel onder leiding van oud-minister Johan Remkes (VVD) donderdag haar eindrapport publiceert. Daarin zal naar verwachting het advies staan om een bindend correctief referendum in te voeren, zo bleek al uit de tussenrapportage die in juni verscheen. Daarbij kunnen burgers de politiek terugfluiten door achteraf een wetsvoorstel te verwerpen.

Kristof Jacobs, docent politicologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, weet wat kiezers vinden van het referendum. Hij deed namens de Stichting Kiezersonderzoek Nederland samen met collega-politicologen van andere universiteiten onderzoek naar het voorlopig laatste referendum. Het rapport wordt deze maandag openbaar gemaakt.

Dit referendum was niet bindend maar raadgevend. Het werd in maart tegelijk met de gemeenteraadsverkiezingen gehouden en ging over de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Die wet regelt onder welke voorwaarden de AIVD en MIVD elektronische gegevens (gesprekken, appberichten, mails, foto’s, documenten) van burgers mogen aftappen via de kabel en de ether. De tegenstanders van de wet, die het referendum aanvroegen, vreesden dat de diensten massaal en ongericht gegevens zouden gaan aftappen en daarmee de privacy van burgers zouden schenden.

Oekraïne-verdrag

Jacobs en zijn collega-onderzoekers ondervroegen een representatief panel van ruim 2.800 mensen over hun beweegredenen rond dit referendum. Bijna 80 procent werkte mee.

Precies de helft van de ondervraagden blijkt op dit moment vóór „een referendum over sommige belangrijke beslissingen”. Die steun is iets lager dan in april 2016, toen dit ook werd onderzocht, vlak na het referendum over het associatieverdrag van de Europese Unie met Oekraïne. Toen was nog 56 procent voorstander van het referendum.

Het aantal expliciete tegenstanders van het referendum is in die twee jaar gestegen: van 22 naar 29 procent. Jacobs denkt dat dit te maken heeft met het verloop van het Oekraïne-referendum. De meerderheid van de stemmers wilde toen dat het verdrag met Oekraïne van tafel ging, maar dat gebeurde niet. Wel ondertekende het kabinet het pas nadat er een aanvullende verklaring was opgesteld waarin stond hoe Nederland het verdrag interpreteerde.

Volgens Jacobs is er terecht of onterecht „de perceptie” dat het kabinet te weinig met de nee-stem heeft gedaan. Voor sommige mensen was dat reden om bij het laatste referendum niet meer te gaan stemmen. „Een op de vijf thuisblijvers ging niet stemmen omdat ze dachten dat deze regering niets met de uitslag zou doen”, zegt Jacobs.

Die vrees was niet helemaal ongegrond. Drie van de vier coalitiepartijen (VVD, CDA en ChristenUnie) lieten in oktober 2017 al weten dat ze de nieuwe inlichtingenwet hoe dan ook zouden invoeren, ongeacht de uitkomst van het referendum. Voor de thuisblijvers speelde ook mee dat het kabinet al bezig was het referendum af te schaffen.

Populismeparadox

Wat opviel bij de opkomstcijfers bij het referendum over de inlichtingenwet was het grote verschil tussen hoger- en lageropgeleiden. Van de hoogstopgeleiden ging 67,7 procent stemmen, van de laagstopgeleiden 37,7 procent. „Politiek socioloog Matthijs Rooduijn noemt dit de populismeparadox”, zegt Jacobs. „Lageropgeleiden willen liever dan hogeropgeleiden instrumenten van inspraak als het referendum, maar in de praktijk maken ze er minder gebruik van.”

Hij heeft hier wel een verklaring voor: „Voor lageropgeleiden is de mogelijkheid om zich uit te kúnnen spreken het belangrijkste, als een soort stok achter de deur. Als het echt fout gaat, willen ze politici op de vingers kunnen tikken. Die behoefte voelden ze bij dit referendum blijkbaar niet zo.”

Een nipte meerderheid (49,5 procent tegen 46,5 procent) wees de wet af, onder meer wegens zorgen over schending van de privacy van de burger bij het ongericht aftappen van elektronische gegevens. Om aan die zorgen tegemoet te komen, voerde het kabinet na het referendum een wetswijziging door. In de wet werd opgenomen dat de diensten „zo gericht mogelijk” te werk zouden gaan bij de zogenoemde bulkinterceptie van gegevens.

Vorige week publiceerde toezichthouder CTIVD een zeer kritisch rapport over de manier waarop de inlichtingendiensten de nieuwe wet uitvoeren. Zij blijken het zo gericht mogelijk aftappen „nog niet in hun werkwijze” te hebben opgenomen.

Lees ook: Trage implementatie inlichtingenwet voedt wantrouwen

Is het referendum dan voor niets geweest? Jacobs vindt van niet. Uit het onderzoek blijkt dat het veel nee-stemmers er niet om te doen was de wet van tafel te krijgen. Zij wilden vooral dat die zou worden aangepast. „En dat is gebeurd.” Door het referendum is er nu ook veel media-aandacht voor de wet. „Zo staat er druk op de regering om de wetswijziging goed door te voeren. Het referendum heeft indirect toch een grote impact.”

Noodrem

Jacobs vindt het „jammer” dat het kabinet het raadgevend referendum net nu heeft afgeschaft. Want volgens hem verliep het laatste referendum „veel beter”. „Je ziet dat we leren. Zo’n referendum succesvol maken kost tijd, dat is logisch.”

Wat hem positief verraste: uit het onderzoek blijkt dat kiezers op basis van inhoudelijke argumenten beslisten of ze voor of tegen stemden. „Maar liefst 58 procent van de voor-stemmers gaf het beschermen van de nationale veiligheid als belangrijkste argument. Het tegen-kamp was diverser, maar ook daar ging het vrijwel altijd om inhoudelijke argumenten, zoals aantasting van de privacy en het risico dat gegevens in handen kwamen van buitenlandse diensten. Slechts 6 procent stemde tegen wegens een gebrek aan vertrouwen in de politiek.” De campagne werd door kiezers zelf ook veel netter en inhoudelijker gevonden dan bij het Oekraïne-referendum.

Of een referendum ‘werkt’, is volgens Jacobs afhankelijk van het onderwerp en de vraagstelling. De inlichtingenwet was volgens hem heel geschikt, het Oekraïne-verdrag minder. „Dat was eigenlijk een te breed onderwerp. Dat ging van corruptiebestrijding en homorechten tot de Europese Unie. De inlichtingenwet was een overzichtelijker onderwerp. Dat gaf burgers een gemakkelijker keuze.”

Hoe kijkt Jacobs aan tegen de inspraakvorm die de commissie-Remkes naar verwachting zal aanbevelen, het bindend correctief referendum? Als het gaat om de inlichtingenwet, dan had dat niet gewerkt, denkt hij. „Dan zou de wet volledig van tafel zijn gegaan. En dat is niet wat veel nee-stemmers wilden. Die wilden alleen een aanpassing ervan.”

Toch kan het bindend correctief referendum ook voordelen bieden. „Het kan uitstekend werken, op preventieve wijze, als politici een nieuwe wet verzinnen. Dat risico van een noodrem maakt hen ervan bewust dat ze moeten zorgen voor draagvlak.”

Lees ook: Hoe het kabinet het referendum over de Intelwet uit handen gaf

Correctie (10 december 2018): In een eerdere versie van dit artikel stond dat de onderzoekers 2.250 mensen hebben ondervraagd. Dat is veranderd in: 2.800 mensen.

    • Pim van den Dool