Opinie

Badplaatsantisemitisme

Toen de Central European University van George Soros deze week bekendmaakte Boedapest te verlaten vanwege aanhoudende treiterijen van de Hongaarse regering, gingen mijn gedachten terug naar het Duitse Waddeneiland Borkum. In 2012 maakte ik in opdracht van de VPRO een televisieserie over de grenzen van Nederland, op Borkum filmden we onder meer de muziekkoepel op de promenade. Daar werd vanaf eind negentiende eeuw elke avond het Borkumlied ten gehore gebracht. Het was een fel antisemitisch lied dat door de badgasten uit volle borst werd meegezongen. In hotels werden briefkaarten verkocht met de tekst van het lied voorop. Al in 1897 afficheerde Borkum zich als ‘Judenrein’. Het trok Spießbürger aan uit het hele land, verenigd in een ‘stille coalitie van afgunst’, zoals Frank Bajohr schrijft in ‘Unser Hotel ist Judenfrei’.

We lezen over de Düsseldorfer kunsthandelaar Jakob Sander, die in 1905 op Borkum schilderijen ter veiling bracht. Na een aanvankelijke goede verkoop, dringen jongemannen het lokaal binnen die het Borkumlied zingen. Ze vernielen een paar schilderijen en roepen ‘Der Jude muß hinaus!’ Ook al dreigen ze Sander te lynchen, van de politie heeft hij niets te verwachten, zodat hij Borkum de volgende morgen in allerijl verlaat om, zoals hij schrijft in een ingezonden stuk in het Berliner Tageblatt, om ‘mezelf voor verdere onaangenaamheden te behoeden’.

Dit zogenaamde badplaatsantisemitisme bleef niet beperkt tot Duitsland en Oostenrijk, maar had ook een sterke pendant in de Verenigde Staten, waar werd geadverteerd met de slogan ‘No Mosquitos, no Malaria, no Jews’.

Duitse badplaatsen die erom bekendstonden dat ze Joden weerden, werden begin twintigste eeuw onder invloed van het vlug groeiende toerisme heel populair. Antisemitisme bleek een winstgevend bedrijf. De Joodse Toni Cassirer, echtgenote van de filosoof Ernst Cassirer, schrijft in haar memoires over de Jodenhaat die ze ontmoette tijdens een verblijf in een kuuroord aan de Oostzee. Voor Cassirer, afkomstig uit de hogere Weense burgerij en opgevoed in de geest van het Bildungsbürgertum, was de ontmoeting met de Duitse kleinburger een schok. Ze was niet verdacht op zijn schunnige vooroordelen, vijanddenken en ‘geestelijke kannibalisme’. Ze noteert: „De mannen waren de zachtaardigste vaders en de ridderlijkste beschermheren van hun echtgenotes; de vrouwen de beste liefhebbende moeders en echtgenotes – terwijl ze gelijktijdig ‘anderszijnden’ bestreden met meedogenloze middelen en uitdrukkingen.”

Cassirer voelde zich eenzaam als nooit tevoren tussen ‘deze net-uitziende, goed opgevoede, schijnbaar ongevaarlijke kleinburgers’.

Het lijkt iets vreemds dat de virulente Jodenhaat juist in badplaatsen en kuuroorden al zo vroeg tot bloei kwam. Mensen, zou je denken, horen er tot rust te komen en kalm converserend de zorgen en wanen van alledag achter zich te laten. Tot je je bedenkt dat een badplaats juist bij uitstek een plaats is waar mensen van allerlei gezindten elkaar tegen het lijf lopen en hetzelfde strand en dezelfde eetzaal delen. Hetzelfde water ook, dat van heilzame baden of de zee. Maar wie een afkeer heeft van de ander, deelt daar nu juist liever niet hetzelfde water mee: ik herinner me levendig de afschuw wanneer ik na mijn zusters in bad moest. Ik wist dat ze erin hadden geplast en hun lichaamsopeningen hadden gereinigd – ik gruwde ervan en spoelde me nadien langdurig af onder de douche.

Hoe minder ruimte we met de ander delen, hoe bevattelijker we zijn voor vooroordelen over die ander, betoogde afgelopen weekeinde filosoof Kwame Anthony Appiah in deze krant. „Het is goed om met andersdenkenden om te gaan. Het behoedt je voor generalisaties. We wonen nu zo gesegregeerd dat we geen andersdenkende buren hebben, dat maakt het lastig. Het beste komt die verbinding tot stand bij de voetbalclub of de scouting.”

Samenleven kan ook beginnen met samen zwemmen, voeg ik daar graag aan toe. Het sportfondsenbad is een goede start. De ander is er massaal aanwezig. We drijven tussen zijn haren, zijn urine en zijn huidschilfers, we nemen hem in ons op via onvrijwillige slokjes badwater en spoelen hem nadien weer van ons af onder de douche. Dichter bij de ander zijn we nog nooit geweest.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.