Recensie

Twee hoeraatjes voor de mensenrechten

Rechten van de mens

Het is fijn dat de mensenrechten de afgelopen zeventig jaar een flink podium kregen. Maar wie echt geeft om waardigheid, fatsoen, recht en onrecht moet over de economie praten.

Eleanor Roosevelt (1884-1962), de vrouw van Franklin Delano Roosevelt en first lady van de Verenigde Staten tussen 1933 - 1945 of the United States from 1933 to 1945 houdt de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens omhoog in 1948 Getty Images

In december is het zeventig jaar geleden dat de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aannamen. Wordt het een feestje of toch maar een pensionering? Als het van Donald Trump of de Hongaarse premier Viktor Orbán afhangt het laatste. Ze belijden in naam van de nationale gemeenschap een vrolijke afkeer van vrijheid van meningsuiting of rechten voor minderheden. En achter die populistische boegstroom dobberen progressieven mee, die met ‘verlicht patriottisme’ de gewone man koewarmte bieden. Ook in hun ogen zorgt aandacht voor rechten van burgers wereldwijd vooral voor tocht. Dus wordt hier de gestage ondergang van het Internationaal Strafhof in Den Haag – mondiale hoofdstad van het internationaal recht! – ter kennisgeving aangenomen. Of komt een serieus debat over onze koloniale erfenis maar niet op gang.

Maar ook uit onversneden linkse hoek klinkt kritiek op de mensenrechten. Een stevig staaltje levert Yale-hoogleraar Samuel Moyn (1972) in Not Enough. Human Rights in an Unequal World. Hij richt zijn pijlen op het ontbreken van de economie in het verhaal van Amnesty International, Human Rights Watch en vergelijkbare bewegingen. Moyn vraagt zich af of het toeval is dat in de jaren zeventig van de vorige eeuw het geloof in gelijkheid verdween en het geloof in mensenrechten opkwam. Niet helemaal.

Moyn zegt: ooit waren de mensenrechten onderdeel van het betoog over eerlijk delen. Het sociaal burgerschap dat tot stand kwam na de Tweede Wereldoorlog, ging óók uit van individuele rechten, meningsuiting en vergelijkbare politieke vrijheden. Dat werd de verzorgingsstaat en daarin sprak het vanzelf dat burgers hardop mochten nadenken. Maar de concrete doelen waren redelijk verdeelde inkomens, verzekering bij ziekte of pech en goed onderwijs voor iedereen. Dat is échte gelijkheid. Wat iets heel anders is dan ervoor zorgen dat niemand verkommert, en wat vooral stevig ingrijpen in de markt vergt.

Fatsoenlijke samenleving

Progressieven en conservatieven deelden in die jaren de overtuiging dat in een fatsoenlijke samenleving de economie onderworpen is aan de gemeenschap. Het ‘sociaal contract’ verdraagt immers geen excessen. Geen burger mag zo rijk zijn dat hij anderen kan kopen of zo arm dat hij zichzelf moet verkopen, citeert Moyn de Franse schrijver Jean-Jacques Rousseau. Dus temt de staat namens de samenleving de markt, en bieden publieke instituties alle burgers de kans met opgeheven hoofd rond te lopen.

In de geest van die economie-met-moraal kwam in 1948 ook de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens tot stand. Ware het niet, zo constateert Moyn, dat toen geen politicus of beleidsmaker iets deed met die nu wereldberoemde tekst. Misschien omdat men nog van Karl Marx had onthouden dat individuele rechten bourgeois zijn. Misschien omdat een paar olifantjes in de kamer van die zogenaamde echte gelijkheid stonden. Het beleid richtte zich immers alleen op de witte arbeider: vrouwen en bewoners van (ex-) koloniën waren helaas vergeten. Allicht eisten die in de loop der jaren ook hun rechten op. Zo bleek een nationale verzorgingsstaat al iets ingewikkelds, wat nog meer gold voor de gedroomde mondiale verzorgingsstaat.

Tegen die achtergrond kreeg de mensenrechtenbeweging volgens Moyn in de jaren zeventig alsnog een functie. Namelijk onder het motto: sociale rechtvaardigheid is duur en lastig, laten we voorkomen dat mensen lijden.

De focus kwam op basisbehoeften en op verzet tegen martelen en doodstraf te liggen en de prijs was dat het stigmatiseren van foute overheden belangrijker werd dan het temmen van markten. En daardoor paste het nieuwe progressieve denken wonderwel bij het neoliberalisme, de beruchte politieke filosofie die in regels voor bedrijven de duivel vermoedt, eigen verantwoordelijkheid voor burgers ziet als haarlemmerolie, en keuzevrijheid als sleutel naar de hemelpoort.

Deze ideologie timmerde aan de weg vanaf de jaren zeventig en kreeg in de jaren tachtig en negentig wereldwijd flink voet aan de grond, bij rechts én links. Het idee dat een goede overheid een kleine overheid is ging na 1975 viral, net als dat mensen zelf moeten zorgen dat ze geen pech hebben en dat genieten iets is dat je doet van veel soorten chips in de supermarkt. We hebben er de financiële crisis en het populisme aan te danken. Moyn zegt: het individualisme en de overheidskritiek van dat neoliberalisme, die overlappen nogal met het mensenrechtenverhaal.

Met commentaar op de staat hielpen de mensenrechtenactivisten wel het socialisme van Midden- en Oost Europa af te breken, maar zonder een alternatieve rem op de economie aan te brengen. Zo muntte de Hongaarse schrijver György Konrád begin jaren tachtig de term ‘antipolitiek’: over stiekem leven, tussen vrienden maar met wantrouwen jegens alle instituties, want die neigen toch maar naar totalitarisme. Begrijpelijk, maar naïef. Als de moraal alleen geijkt hoeft aan de afwezigheid van een staat, dan hebben industrie en investeerders vrij spel. En tegen de kleptocratie of het populisme – nu zichtbaar in zowel Midden- en Oost-Europa als bij ons – is met pleidooien voor individuele waardigheid weinig te beginnen. Als je daar wat tegen wil doen, moet om te beginnen het verhaal over gelijkheid, in landen, tussen landen, weer serieus verteld worden.

Nuttige idioten

Moyn gaat niet zover de mensenrechtenbeweging als ‘nuttige idioten in dienst van het grootkapitaal’ weg te zetten. Hij breekt de staf over de Canadese publicist Naomi Klein, die het jaren zeventig-protest tegen het martelen door de Chileense regering beschouwt als wegkijken bij de rooftochten onder leiding van neoliberale hoofdman Milton Friedman. Aan misstanden hebben neoliberalen schuld, niet de activisten en juristen die wreedheid aan de kaak stelden, zegt Moyn. Maar hij laat er geen misverstand over bestaan dat de mensenrechtenbeweging de sociale lat zo laag legde, dat men bijdroeg aan de teloorgang van de gelijkheid. De mensenrechten hebben geen tanden. Allicht zijn er af en toe successen, zoals onlangs nog het schrappen van de strafbaarheid van homoseksualiteit in India. Maar het succes is wat willekeurig. Het kapitalisme deed meer voor het leven van de gewone Chinees dan welke sociale beweging ook.

Het boek van Moyn past in een reeks studies die het gelijkheidsethos willen herstellen, denk aan de populaire boeken van Thomas Piketty (Capital in the Twenty-First Century) of Anthony B. Atkinson (Inequality. What can be done?). Moyn bepleit als alternatief een wereldwijde verzorgingsstaat, waaruit blijkt dat hij misschien niet zo goed doorheeft hoe zo’n ding werkt of dat het al heel wat is om op nationale schaal een beetje eerlijk te zijn. Het levert soms een wat losgezongen toon op, alsof-ie de ‘derdewereld’-ideologie van de jaren zeventig herschrijft. En of je daarmee relevant wordt in een tijdperk getekend door aanhoudende welles-nietes over culturele kwesties als Zwarte Piet and all that jazz staat ook te bezien. Maar dat een progressieve beweging als die van de mensenrechten zich achter de oren krabt en zegt: onderdrukking komt niet alleen door cultuur maar ook door economie, dan hebben we dus niet alleen een mening over homohuwelijk maar ook over marktwerking – dat kon wel eens vooruitgang zijn. Niet met pensioen, maar terug naar school dus.

    • Menno Hurenkamp