Opinie

Schande dat deze roofkunst in het museum mag blijven hangen

Roofkunst Het belang van een schilderij voor een museum speelt in Nederland ten onrechte een rol bij het wel of niet teruggeven van roofkunst, schrijven en .

Wassily Kandinsky, Bild mit Häusern, 1909. Foto collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Eind 2001 richtte de Nederlandse regering de Restitutiecommissie op, een onafhankelijk panel voor de afhandeling van claims op nazi-roofkunst in Nederlands openbaar bezit. Volgens het algemeen beleid van de commissie zou verlies van kunstwerken door joodse gezinnen vanaf 12 mei 1940, de datum van de nazi-bezetting, als onvrijwillig worden beschouwd en werd elke verkoop gezien als gedwongen, tenzij er specifiek bewijs van het tegendeel bestond. Dergelijke kunst moest worden teruggegeven.

Zo’n 3.800 kunstwerken die aan het eind van de oorlog door de geallieerden naar Nederland waren teruggestuurd om te worden teruggegeven, bleven altijd binnen de Nederlandse Kunstbezit-collectie, ook wel bekend als de NK-collectie. Ze waren nooit teruggegeven, en voordat de Restitutiecommissie in 2002 aan het werk ging, waren gemaakte claims op deze werken regelmatig op niets uitgelopen. Dat restitutiebeleid werd door de Nederlandse regering zelf beschreven als „kil en bureaucratisch”. Maar sinds 2002 zijn enkele honderden NK-werken teruggegeven aan hun rechtmatige eigenaars of hun erfgenamen. Nederland was terecht trots op dit record.

Maar in 2013 besloot de Nederlandse regering een nieuw criterium voor restitutie toe te voegen. Vaststelling van onvrijwillig bezitsverlies alleen zou geen garantie zijn voor restitutie. Nu zou er een „belangenafweging” worden gemaakt. Het ‘belang’ van de eiser om zijn kunstwerk terug te krijgen, zou worden afgewogen tegen het belang van het museum om het te houden. Bepaalde de commissie dat het ‘belang’ van het museum groter was, dan bleef het kunstwerk in het museum en ontving de eiser zelfs nog geen compensatie.

Deze beleidsverandering viel samen met de voltooiing van de eerste onderzoeksfase binnen Nederlandse musea naar de identificatie van roofkunst die door de musea was verworven sinds de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen.

In april 2013 besliste de commissie over de eerste gevallen door middel van deze belangenafweging. Het betrof de claims op drie kunstwerken in Nederlandse musea die eigendom waren geweest van Richard Semmel, een joodse zakenman en verzamelaar uit Berlijn die in 1933 naar Nederland was gevlucht toen de nazi’s aan de macht kwamen. In 2009 had een claim voor een ander schilderij van Semmel in de Nederlandse Kunstbezit-collectie succes en het schilderij keerde terug, maar in 2013 hadden de claims van Semmel een andere uitkomst. De commissie erkende dat het verlies van de schilderijen opnieuw onvrijwillig was en te wijten aan nazi-vervolging. Toch luidde het advies dat twee van de schilderijen in de musea moesten blijven, omdat ze voor hen ‘van groot belang’ waren, en het belang van restitutie van het eigendom van de eisers hier niet tegenop woog.

In het geval van het derde schilderij stelde de commissie dat het wel kon worden teruggegeven omdat het museum ‘weinig of geen belangstelling’ had. De commissie voegde een nieuw criterium aan het besluitvormingsproces toe door de eigendomsrechten van de twee musea die de schilderijen van Semmel behielden te stellen boven die van de eisers.

Wereldwijde schokgolf

Het besluit veroorzaakte een wereldwijde schokgolf. Als bezit van roofkunst zwaarder moest wegen dan ‘rightful ownership’ hoefde geen enkel Nederlands museum ooit nog een kunstwerk terug te geven. Als het museum een geroofd schilderij wilde behouden, werd het eisers die al zeventig tot tachtig jaar gedwongen zonder hun bezit leefden per definitie onmogelijk gemaakt om hun ‘emotionele band’ ermee aan te tonen. Als de wettelijke erfgenamen na zeventig jaar geen directe afstammelingen meer waren, werkte dat nog verder in hun nadeel.

De belangenafweging leek niet erg evenwichtig. De commissie hield vol dat er niets veranderd was, maar eisers wisten dat zo net nog niet. Zij vonden het zorgwekkend om claims in te dienen in een procedure met een bindend advies en beperkte mogelijkheid tot beroep. Hun bezorgdheid nam nog toe toen in juni 2015 werd aangekondigd dat belangenafweging ook van toepassing zou worden op kunstwerken in de Nederlandse Kunstbezit-collectie.

Lees ook: Hoe zij hun in de Tweede Wereldoorlog geroofde kunst terugkregen

Een claim op een in oktober 1940 verworven Kandinsky-schilderij in het Stedelijk Museum in Amsterdam leek in veel opzichten een testcase voor de Nederlandse toewijding aan restitutie. Hoe zou de commissie omgaan met de claim en het restitutierecht? Begin november publiceerde de commissie haar advies. Hoewel werd toegegeven dat de verkoop verband hield met vervolging vond de commissie ondubbelzinnig dat het schilderij in het museum moest blijven.

Het merendeel van het 22 pagina’s tellende besluit zijn gewijd aan een uiterst gedetailleerde uiteenzetting van de feiten inzake de claim. In één enkele slotparagraaf wordt het standpunt van het museum over het belang van het schilderij in haar collectie herhaald. Dit is niet verder uitgewerkt, de commissie stelt alleen dat het standpunt van het museum overeen „stemt [...] met het eigen oordeel van de commissie”, zonder verdere toelichting van deze redenering. De door de eiseres verklaarde mate van gehechtheid aan het schilderij wordt resoluut verworpen. De commissie stelt dat zij geen enkele „uit het verleden te verklaren emotionele of andere intense binding heeft met het werk”.

Lees ook: Erven willen advies Kandinsky uit Stedelijk ongedaan maken

Door deze ontwikkelingen loopt Nederland het risico om van leider in kunst-restitutie tot paria te verworden. Het laat zien dat als een schilderij waardevol genoeg is, feiten en beleid kunnen worden aangepast, zodat een museum het kan behouden. De maatschappelijke verplichting om zulke eigendommen terug te geven, wordt terzijde geschoven. De bewijslast is verschoven. Uit recentere besluiten blijkt dat onvrijwillig verlies niet langer het hoofdprincipe is, en dat een uniek Nederlands idee is gerezen; dat joodse individuen onder de nazi-bezetting toch handelingsvrijheid hadden.

Hiërarchie van verlies

De commissie spreekt in haar schriftelijke besluiten zelfs van een hiërarchie van verlies, waarbinnen inbeslagname en confiscatie volgens hen zwaarder wegen dan gedwongen verkoop. Dit maakte weinig verschil voor de vervolgden, in doodsangst en zonder inkomsten, met geblokkeerde bankrekeningen en zonder bewegingsvrijheid, zich bewust van de wrede jodenvervolging die zich in heel Europa voltrok. Het lijkt erop dat in Nederland anno 2018 het kleinste en kilste onderscheid wordt aangegrepen om musea hun collecties intact te kunnen laten houden.

Het resultaat van deze veranderingen in de beoordeling van verlies, samen met de toepassing van belangenafweging, is zichtbaar in de Nederlandse restitutie-cijfers, die een scherpe daling van het cumulatieve gemiddelde restitutiegehalte laten zien, van 100 procent in 2002 tot 34 procent in 2018.

Lees ook: Hoe gaan de diverse Europese landen om met claims op ‘besmette kunst’?

Tegelijk met de publicatie van het Kandinsky-besluit ontstond een nieuwe procedure voor claims aan het adres van musea in Nederland. Het idee, dat twee jaar geleden werd aangekondigd door de minister van Cultuur, hield in dat eisers en musea niet meer naar de commissie hoefden voor een bindend advies. In plaats daarvan konden ze gezamenlijk verantwoording dragen voor het bereiken van een wederzijds bevredigende uitkomst.

Nu durven eisers zeker geen claims meer in te dienen bij de Restitutiecommissie, aangezien ze terecht vrezen voor een oneerlijk onderzoek en een ongegronde uitkomst. En het valt nog te bezien of de nieuwe claimprocedure ooit zal worden toegepast. Waarom, als belangenafweging doorslaggevend is, zou enig Nederlands museum instemmen met een minnelijke schikking van een claim, als al bekend is dat de commissie waarschijnlijk voorrang zal geven aan hun belangen, ongeacht de omstandigheden van het bezitsverlies?

Nederland loopt ‘uit de pas’

Twintig jaar geleden omarmde Nederland, evenals 43 andere regeringen, het principe van ‘just and fair’ oplossingen, aangenomen tijdens de Washington Conference on Holocaust-Era Assets in 1998. Stuart Eizenstat, de Amerikaanse staatssecretaris die over de Washington Principles onderhandelde, zei vorige week in Berlijn dat de Nederlandse belangenafweging „volledig in strijd is met de Washington Principles”. Volgens hem waren de principes „niet bedoeld om te focussen op het belang van een museum om een kunstwerk te behouden”. Hij stelde dat Nederland „uit de pas” liep en spoorde de Nederlandse regering aan tot heroverweging.

De ‘rechtvaardige en billijke oplossing’ was bedoeld om de slachtoffers van de nazi’s gerechtigheid en billijkheid te bieden. In Nederland zijn dit principe en de beginselen die ten grondslag liggen aan de oprichting van de Nederlandse Restitutiecommissie sinds 2002, nu op hun kop gezet. De onafhankelijkheid van de Restitutiecommissie wordt in twijfel getrokken.

De Nederlandse regering heeft de hoop vernietigd die twintig jaar geleden tijdens de Washington Conference is gewekt; dat rechtvaardigheid en billijkheid zouden zegevieren en dat geroofde eigendommen zouden worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren. Wie nu in Nederland een claim durft in te dienen, moet wel moedig zijn.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.