Opinie

    • Sjoerd de Jong

NRC In Memoriam: de waarde van een collegiaal-journalistieke necrologie

Het is al delicaat genoeg om een necrologie te schrijven, dat wil zeggen de balans opmaken van andermans leven – maar hoe doe je dat bij een collega?

NRC bracht zaterdag de necrologie van oud-redacteur Mark Hoogstad, 48 jaar jong in het harnas gestorven. Hij had de krant in 2012 verlaten na een loopbaan als sportjournalist en stadsverslaggever in Rotterdam en was daarna voor het AD in die stad tot grote hoogten gestegen als politiek verslaggever. Hij werd getypeerd als „loyaal, vasthoudend en vol branie”.

Moet de krant collega’s met een stuk in de krant gedenken? Altijd lastig: functie, tijdsverloop (hoe lang is iemand al weg), hoe bekend een journalist was bij de lezers, of er zich een auteur opwerpt – het speelt allemaal een rol. De krant is er ook niet altijd consistent in geweest, zeker niet in lengte; sommige oud-collega’s werden alleen herdacht in een kort bericht.

Maar zulke stukken zijn waardevol. Ze maken niet alleen de mens, maar ook de krant en het vak zelf op een persoonlijke manier tastbaar. Sommige ervan zijn op zichzelf stilistische parels, zoals die van oud-hoofdredacteur Wout Woltz over zijn collega K.L. Poll, grondlegger van het Cultureel Supplement.

Na Hoogstads veel te vroege overlijden – wat óók meeweegt – herlas ik een aantal necrologieën van collega’s die ik veelal heb meegemaakt (en met wie ik soms heb gewerkt), vanaf 1990; niet compleet, dus bij voorbaat excuus als ik iemand krenk.

Stuk voor stuk geven die portretten tussen de regels door ook een mooi beeld van de redactie en de krant. Uiteraard geldt dat met name de necrologieën van NRC-aartsvaders als de „vrije geest” André Spoor, onder wiens leiding de krant een succes werd; J.L. Heldring („een man van vraagtekens, niet van uitroeptekens”) en H.J.A. Hofland („tolk en criticus van weldenkend Nederland”). Of Rudy Kousbroek, een „rationalist die zich bleef verwonderen” .

Ook andere toonaangevende auteurs is vaak de laatste eer bewezen. Opvallend genoeg gebeurde dat in het verleden in de regel door de hoofdredacteur die, in overzichtelijker tijden en met een kleinere redactie, werd geacht dat lot op zich te nemen als primus inter pares.

Hoofdredacteur Ben Knapen kreeg het daarbij zwaar voor zijn kiezen, toen in korte tijd drie uitzonderlijk getalenteerde redacteuren jong overleden: Economie-redacteur Kees Caljé (43), Haags redacteur José Toirkens (48) en Wetenschapsredacteur Felix Eijgenraam (36). Zijn opvolger Folkert Jensma schreef de necrologie van veteraan-verslaggever Max Paumen, „een scherp journalist zonder opsmuk”.

Latere necrologieën gedachten onder anderen de eigenzinnige Oost-Europa-redacteur Peter Michielsen („plechtanker en levenslijn” van correspondenten); F.G . (‘Flok’) de Ruiter, de eerste echte verslaggever bij de Nieuwe Rotterdamse Courant, voorloper van NRC; het „hard boiled voorbeeld” voor jonge verslaggevers Friso Endt; adjunct Rob Soetenhorst, mr.B.C.L. (‘Pim’) Waanders, die jaren een veelgelezen parlementaire rubriek verzorgde. Ook een necrologie kregen schrijvende redacteuren als de feministe Emmy van Overeem, kunstredacteur Jac Heijer, An Salomonson, Theo Westerwoudt, Willebrord Nieuwenhuis, Jan Gerritsen, Economie-redacteur Ton van Zweeden en de eerste redacteur ‘geestelijk leven’ Frits Groeneveld.

Maar brille onder een byline s geen voorwaarde. Ook het overlijden van redacteuren die later in hun loopbaan vooral eindredactiewerk deden, zoals Gerard van de Wetering, Els Flipsen en Markus Meulmeester (2009) werd herdacht, onder het motto dat voor de lezer vaak anonieme bureauredacteuren „het cement tussen de stenen zijn”.

In die stukken gaan krant en individu een doorleefde symbiose aan. Met karakteristieke eigenaardigheden; zo mocht Hofland op stille zondagen op de Amsterdamse redactie graag een luchtbuks afschieten – schadevrij. In de necrologie van J.M. Bik wordt zijn fameuze breedsprakigheid goed getroffen. „Joep, mag ik nu even”, interrumpeerde toenmalig premier Ruud Lubbers tijdens een interview toen Biks vraagstelling nogal uitliep.

Onmiskenbaar een tijdverschijnsel is dat in enkele van die oudere stukken wordt gememoreerd dat een fatale ziekte zoveel mogelijk werd verzwegen. Dat is veranderd, in de hele maatschappij. Over de reeks artikelen die oud-chef Boeken Pieter Steinz schreef over zijn ziekte ALS lezen we: „Het werden zijn mooiste stukken.” De serie, waarin Steinz zijn ziekte verbond aan boeken die hij (her)las, maakte op lezers grote indruk.

Kanttekeningen zijn er ook, doorgaans relativerend geformuleerd. Over Toirkens, een briljante sociaaleconomisch journalist, noteert Knapen onderkoeld: „Haar schrijfstijl verried geen bijzonder esthetisch streven.’’ Waarmee maar meteen gezegd wil zijn dat mooischrijverij niet de kern van de zaak is in de journalistiek. Ook conflicten komen aan de orde, zoals dat rond Midden-Oostenkenner Michael Stein. Over Steinz en Hoogstad wordt vermeld dat ze vertrokken in onmin, na aanvaringen over hun bijlage (Steinz) of loopbaan (Hoogstad).

Zoals gezegd, consistent is de krant er niet altijd in. Maar voor al deze necrologieën geldt dat ze een herinnering zijn aan het feit dat ‘de media’, vaak afgeschilderd als een geoliede, links- of rechtsdraaiende machinerie, het werk zijn van individuen – als het goed is van een bont gezelschap, met een baaierd aan interesses en preoccupaties. Ook zulke diversiteit heeft een redactie nodig.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Sjoerd de Jong