Opinie

    • Paul Scheffer

Mensenrechten in autoritaire tijden

Mensenrechten In drie bedrijven schetst de gevolgen van de veranderende wereldorde voor de mensenrechten. „De autoritaire wending zal op een grens stuiten.”

Er is geen ontkomen aan: het standpunt van president Trump over de moord op de Saoedische journalist Jamal Khashoggi was een unicum in de naoorlogse diplomatie van de Verenigde Staten. Het vormde een nieuwe illustratie van de doctrine ‘America First’, een slogan die boven het rommelige communiqué prijkte.

Na een uithaal over het gevaar van Iran en het belang van de ‘geweldige’ bondgenoot Saoedi-Arabië, komt de verklaring ter zake: „Koning Salman en kroonprins Mohammed bin Salman ontkennen krachtig dat ze iets wisten van de planning of de uitvoering van de moord op de heer Khashoggi. Onze inlichtingendiensten blijven alle informatie analyseren maar het zou heel goed kunnen dat de kroonprins wist van deze tragische gebeurtenis – misschien wist hij ervan en misschien ook niet!”

Voorafgaand aan deze laconieke conclusie lezen we de werkelijke reden van deze woorden: „Na mijn reis naar Saoedi-Arabië vorig jaar heeft het Koninkrijk zich bereid verklaard 450 miljard dollar te spenderen en te investeren in de Verenigde Staten.” En ten slotte: „Als we deze contracten domweg annuleren, zouden Rusland en China er enorm van profiteren – en heel blij zijn om al deze nieuwe business te krijgen.”

Lees ook: NRC voorzag Trumps verklaring over Saoedi-Arabië van kanttekeningen

Zie daar in een notendop de doctrine van de Amerikaanse regering, die Trump in een speech voor de Verenigde Naties omschreef als een verwerping van het globalisme en een omarming van het patriottisme. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook vóór deze president warme banden met bondgenoot Saoedi-Arabië bestonden en de morele vragen moesten wijken voor machtspolitiek. Maar nooit werden de rechten van de mens zo onomwonden terzijde geschoven.

De eerlijkheid dwingt ook tot de vaststelling dat Trump heel goed wordt begrepen in de nieuwe hoofdsteden van de wereld: Beijing, New Delhi, Moskou en Brasilia. Ook daar overheerst het nationalisme. Sterker nog, in die landen maken we een autoritaire wending mee: daar komen leiders op die niet uitblinken in hun verdediging van de mensenrechten.

1 Het handhaven van vrede woog zwaarder dan mensenrechten

De worsteling met mensenrechten en machtspolitiek is niet nieuw. Misschien kunnen we dit geschil enkel begrijpen als we teruggaan naar de recente geschiedenis.

Het begint met het tijdperk dat loopt van Helsinki naar Berlijn, de periode van 1975 tot 1989. Dat is de tijd waarin de wereld werd gedomineerd door Amerika en de Sovjet-Unie.

In 1975 werden de akkoorden van Helsinki getekend. Daarin stond de vastlegging van de grenzen in Europa voorop. Iedereen die een morele verlegenheid voelt bij grenzen moet daar even bij stilstaan: de wederzijdse erkenning van grenzen kan zeer bijdragen aan de vrede. Waar grenzen omstreden zijn is het geweld nooit ver weg. Met erkenning van de status quo werd iets van de kou uit de lucht gehaald.

Lees ook: De recensie van het boek Not Enough. Human Rights in an Unequal World

Maar er was een keerzijde. Het handhaven van vrede woog zwaarder dan de zorg om mensenrechten. Menig politicus in het Westen bekritiseerde de vermetele dissidenten in het Oosten die maar bleven hameren op de vrijheid van meningsuiting. Zulke kritiek zou de ontspanning in gevaar kunnen brengen.

Een voorbeeld uit vele: nog in 1986 voorkwam de Nederlandse regering dat de Erasmusprijs werd uitgereikt aan Charta 77, een Tsjechoslowaakse beweging die streed voor mensenrechten. De regering vond het een ‘politiek delicate kwestie’. Het compromis was dat de prijs aan een persoon zou worden uitgereikt, de toneelschrijver Vaclav Havel. Vervolgens ontstond gedoe over zijn dankwoord dat zou worden voorgelezen: zijn verwijzing naar Charta 77 en de onderdrukking van mensenrechten werd niet opportuun geacht.

Dissidenten als Havel wantrouwden de politiek van ontspanning. Het streven naar vrede was in het Oosten tot op het bot gecorrumpeerd: „Het woord ‘vrede’ - zoals ook de woorden ‘socialisme’, ‘ons land’ of ‘het volk’ – is slechts een sport van de ladder geworden, waar handige mensen langs omhoog klimmen.” Zonder een ontspanning in de verhouding tussen de burgers in zijn land zou volgens Havel een ontspanning tussen de naties onmogelijk zijn.

Ik heb me in die jaren gemengd in het debat over mensenrechten en ontspanning. Gesprekken, als journalist en dissidenten als Robert Havemann, Adam Michnik, Wolf Biermann en György Konrád leerden me dat aantasting van mensenrechten nooit als een ‘binnenlandse’ aangelegenheid konden worden beschouwd.

Havel was er in 1988 – een jaar voor de val van de Muur in Berlijn – nog steeds van overtuigd dat hij de ondergang van het communisme niet zou meemaken. Volgens hem was de druk van de totalitaire macht op de samenleving zo hevig dat het zeker nog decennia zou duren eer de Koude Oorlog was uitgewoed. Een jaar later sprak hij als president de uitgelaten massa’s toe op het centrale plein van Praag.

Toch is het dilemma dat de Koude Oorlog meebracht reëel: de erkenning van soevereiniteit is wezenlijk voor het dempen van mogelijk gewelddadige conflicten tussen landen. Tegelijkertijd hebben de mensenrechten een universele betekenis die niet bij landsgrenzen ophoudt. Hoe moeilijk soevereiniteit en humaniteit te verzoenen waren, zou wel blijken in de jaren daarna.

2 Humanitaire interventie was de leidende gedachte

Het tijdperk na de val van het communisme loopt van Belgrado naar Bagdad, het is de periode van 1990 tot 2003. Het zijn uitzonderlijke jaren waarin Amerika de wereld domineert, de jaren van de hoogmoed, van het idee dat het liberalisme een triomftocht door de wereld was begonnen.

De Amerikaanse president Bush jr. vatte die tijd goed samen: „Zestig jaar lang hebben de westerse landen excuses gevonden en zich neergelegd bij het gebrek aan vrijheid in het Midden-Oosten. Het heeft ons niet veiliger gemaakt, omdat uiteindelijk stabiliteit niet kan worden verkregen tegen de prijs van vrijheid.” Hier werd de balans opgemaakt van de Koude Oorlog: nooit meer stabiliteit tegen de prijs van mensenrechten.

Humanitaire interventie was de leidende gedachte: ook de Nederlandse regering sprak uit dat humaniteit boven soevereiniteit diende te staan. Grove schendingen van mensenrechten werden niet meer getolereerd. Het was een breuk met de ontspanningspolitiek van de Koude Oorlog, toen soevereiniteit het laatste woord had.

Maar humanitaire interventie is uiteindelijk een vorm van oorlogsvoering. Dat werd niet voldoende ingezien. Die blinde vlek werd pijnlijk zichtbaar in Srebrenica. Ik had vanaf het begin grote aarzelingen bij het idee dat een beperkte interventie zou volstaan om de strijdende partijen in Joegoslavië te kalmeren. ‘Rechtsgevoel tegen nultarief’ stond boven een stuk van mijn hand: het idee dat we mensenrechten konden beschermen zonder verzeild te raken in een oorlog, moest wel verongelukken.

Het gaat me hier niet om de boekhouding van een eigen gelijk. Ik heb me vaak genoeg vergist. Zo heb ik, in weerwil van mijn aarzelingen over ‘humanitaire interventie’, de oorlog tegen Irak verdedigd – voorzover je het gebruik van geweld kan rechtvaardigen van een verre afstand in het veilige Nederland.

Ik vond dat de tegenstanders van de interventie in Irak te weinig zeiden over de gevolgen van een voortbestaan van de dictatuur van Saddam Hussein. Hoeveel slachtoffers zou dat nog vergen? Ik was een paar jaar eerder tijdens een conferentie in Tel-Aviv de schrijver Kanan Makiya tegengekomen. Hij was afkomstig uit Irak en had aangrijpende boeken zoals Cruelty and Silence geschreven over het schrikbewind van Saddam Hussein. Zijn boeken hadden een grote invloed, en niet alleen op mij.

Ook de vroegere dissidenten in het Oosten keken met argwaan naar de vredesbeweging die zich tegen de oorlog in Irak keerde. De Hongaarse schrijver Konrád was uitgesproken: „Wij, de voormalige dissidenten van Midden-Europa, zijn erop uit het aantal dictaturen op aarde te verminderen.” Hij vond dat het verzet tegen de Amerikaanse politiek werd gedragen door bewegingen die „net als tijdens de Koude Oorlog, op groteske wijze begrip opbrengen voor moorddadige dictaturen”.

De vragen over de humanitaire gevolgen van non-interventie waren gerechtvaardigd. Maar er bestaat vijftien jaar later weinig twijfel meer over de uitkomst: deze oorlog heeft de hele regio instabieler gemaakt en ook de mensenrechten niet gediend. De hoogmoed om democratie af te willen dwingen, heeft slecht uitgepakt.

3 Ook bevrijding uit armoede is een mensenrecht

Achteraf gezien waren de jaren na de val van de Muur een intermezzo op weg naar een wereld waarin China, India en Brazilië de opkomende machten zijn. De val van Bagdad markeert de grens van de Amerikaanse invloed. Sindsdien ziet de wereld er anders uit. De weg van Beijing naar Brasilia toont een autoritaire wending. Na de bipolaire wereld van de Koude Oorlog kwam het unipolaire moment, dat de opmaat bleek naar een multipolaire wereld. Achter de monumentale gebeurtenissen van 9/11 en de Irak-oorlogen voltrok zich een ontwikkeling die op de lange termijn invloedrijker zal zijn: de integratie van China en andere opkomende economieën in de wereldwijde markt.

Wie de mensenrechten in een breder verband ziet, begrijpt dat de opkomst van deze landen veel mensen uit de armoede heeft bevrijd. Ook dat zijn mensenrechten. Het maakt de wereld gelijkwaardiger: andere landen eisen hun plek op aan de internationale vergadertafels.

Met de terugtocht van de westerse wereld zijn ook de liberale democratieën verzwakt. Niet lang geleden werd hoopvol gesproken over de opkomst van de zogenoemde BRIC-landen – Brazilië, Rusland, India en China. Nu de extreme politicus Jair Bolsonaro tot president van Brazilië is gekozen, zijn deze vier continentale machten in handen van autoritaire en nationalistische leidersfiguren met Poetin, Modi en Xi Jiping.

Doctrines van de Verenigde Naties als Responsability to Protect, waarin soevereiniteit ondergeschikt is bij grove schendingen van de mensenrechten, worden steeds moeilijker aanvaard. Een land als Brazilië verzet zich tegen deze opvatting, zeker na de interventie in Libië die uitliep op een regime-wisseling. Khadaffi werd afgezet en daarna vermoord.

Strafkampen

Meer landen beroepen zich nu op hun soevereiniteit en verwerpen kritiek op schending van mensenrechten. Het voorbeeld van de behandeling van de Oeigoeren in China spreekt voor zich. Volgens de VN zit een miljoen mensen vast in strafkampen. De gedwongen ‘heropvoeding’ van honderdduizenden mensen – vaak moslims – laat zien hoe weinig China zich aantrekt van democratische normen.

Een paar jaar geleden bezocht ik het atelier van Ai Weiwei in Beijing. De meester zelf was aanwezig en bleek bereid tot een kort gesprek. Hij toonde zich uiterst pessimistisch over de mogelijkheden tot verandering in zijn land. Ik vertelde hem het verhaal van de arrestatie van Havel in 1988 – en hoe hij een jaar later president was. Ai Weiwei keek me hoofdschuddend aan en beende geërgerd weg.

Na de gewelddadigheden in onder meer Oekraïne, Syrië en Irak zijn alle dilemma’s van de tijd voor 1989 weer terug. Ineens gaat het om de vraag of we in een nieuwe Koude Oorlog met Rusland en China verstrikt zijn geraakt. Na het korte intermezzo van 1990 tot 2003 lijkt soevereiniteit het opnieuw te winnen van humaniteit.

Zou het nu werkelijk zo zijn dat de macht van liberale democratieën te beperkt is in de huidige wereld? Zouden we een actief engagement voor mensenrechten op een laag pitje moeten zetten aan de vooravond van de zeventigjarige herdenking van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens? Dat lijkt me even hopeloos als onjuist.

Soevereiniteit omarmen

Het is zeker zo dat de doctrine van ‘humanitaire interventie’ weinig steun meer heeft. Juist de opkomende economieën omarmen hun soevereiniteit in een wereld die niet meer door westerse landen wordt gedomineerd. Toch blijft een consequente mensenrechtendiplomatie – ook soms met economische middelen – belangrijk voor liberale democratieën. De toetssteen vormt de verhouding tot landen als China en Saoedi-Arabië.

De autoritaire wending in de wereld is volop gaande, maar zal ook op een grens stuiten. We herinneren ons het pessimisme van Havel, die niet geloofde dat hij de val van het communisme tijdens zijn leven nog zou meemaken. De democratie is uiteindelijk gemaakt van buigzaam maar weerbaar materiaal, terwijl de dictatuur is opgetrokken uit stijf en dus breekbaar materiaal. Dat is een belangrijke les uit de recente geschiedenis: macht zonder moraal is nooit duurzaam.

Dit artikel is een ingekorte versie van de Socrateslezing van het Humanistisch Verbond, die Paul Scheffer uitsprak op 3 december in de Stadsschouwburg in Den Haag. Voor de hele lezing: socrateslezing.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Paul Scheffer